Het Verhaal van Kranenburg

 

Slot Kranenburg en het vroege Bleiswijk

Langs de kronkelende oevers van de Rotte, in het moerassige gebied dat later bekend zou staan als de Klappolder bij Bleiswijk, verrees in de 11e eeuw een indrukwekkend bouwwerk: slot Kranenburg. Het was Alewijn II van Leyden van Wassenaer, telg uit een van de oudste adellijke geslachten van Holland, die het initiatief nam om hier een ridderhofstad te stichten. In een tijd waarin het Hollandse landschap nog grotendeels bestond uit veen, kreken en ontginningsdorpen, vormde Kranenburg een strategisch en symbolisch baken van macht.

De ligging aan de Rotte was geen toeval. Deze rivier was eeuwenlang een levensader voor handel, transport en militaire bewegingen. Een versterkt huis op deze plek gaf controle over het omliggende land en bood bescherming aan de ontginningen die in volle gang waren. Rond Kranenburg ontwikkelde zich langzaam een nederzetting die zou uitgroeien tot het latere Bleiswijk.

Hoewel het slot in zijn tijd een markant centrum van adellijke invloed was, is het lot ervan in nevelen gehuld. Tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten — de felle machtsstrijd die Holland in de 14e en 15e eeuw verscheurde — zouden talloze kastelen, versterkingen en ridderhofsteden in vlammen opgaan. Kranenburg lijkt een van die slachtoffers te zijn geweest. Geen steen, geen fundament, geen tastbaar spoor is ooit teruggevonden. Alleen de naam en de verhalen herinneren nog aan zijn bestaan.

Toch bleef het gebied zich ontwikkelen. In 1267 duikt in schriftelijke bronnen voor het eerst een kerk in Bleiswijk op. Dat is veelzeggend: een kerk werd pas gebouwd wanneer een gemeenschap voldoende omvang en betekenis had. Bleiswijk was op dat moment al een (hoge) Heerlijkheid, wat betekent dat het gebied een eigen bestuur kende, rechtspraak uitoefende en onder leiding stond van een heer met aanzienlijke privileges. De aanwezigheid van zowel een ridderhofstad als een kerk toont hoe dit veengebied zich in de middeleeuwen ontwikkelde tot een volwaardige, bestuurlijke kern in het landschap van Holland.

Zo vormt het verhaal van Kranenburg en Bleiswijk een fascinerend hoofdstuk in de geschiedenis van het oude Rijnland: een verhaal van ontginning, adel, strijd en groei — waarvan de sporen soms verdwenen zijn, maar de echo’s nog altijd doorklinken in de namen en het landschap van vandaag.

 

Het Verhaal van Kranenburg

1. Bartholomeus van Cranenburch

 

Een leven tussen adel, land en kerk

In het midden van de 13e eeuw, een tijd waarin het graafschap Holland zich ontwikkelde tot een steeds machtiger gebied binnen de Lage Landen, werd Bartholomeus van Cranenburch geboren. Rond 1225 zag hij het levenslicht als zoon van Dirk I van Wassenaer en Bertha van Rijswijk, twee namen die behoorden tot de oude Hollandse adel. De familie Van Wassenaer was al generaties lang verweven met de bestuurlijke en militaire elite van het graafschap, en Bartholomeus groeide op in een wereld waarin landbezit, leenverhoudingen en politieke loyaliteit de koers van een mensenleven bepaalden.

Heer van Cranenburg

Het zwaartepunt van zijn bestaan lag in Bleiswijk, waar de ridderhofstad Cranenburg stond — een versterkt huis aan de oevers van de Rotte, strategisch gelegen in een gebied dat toen nog volop in ontginning was. Op 30 augustus 1276 droeg zijn vader dit huis en de bijbehorende rechten officieel aan hem over. Daarmee werd Bartholomeus de nieuwe Heer van Cranenburg, een positie die niet alleen aanzien bracht, maar ook verantwoordelijkheden: bescherming van het land, rechtspraak binnen de heerlijkheid en het beheer van de lokale ontginningen.

Als onderdeel van zijn leenverhouding werd hij bovendien beleend met een rente van 2,5 pond Hollands, afkomstig uit de tienden van Zoetermeer. Dat betekende dat hij jaarlijks een deel van de opbrengst van de landbouw in dat gebied ontving — een belangrijke bron van inkomsten in een tijd waarin het veenlandschap steeds intensiever werd ontgonnen en in cultuur gebracht.

In 1286 duikt zijn naam opnieuw op in de bronnen, een teken dat hij actief deelnam aan het bestuurlijke en adellijke leven van zijn tijd.

Huwelijk en familiebanden

Bartholomeus versterkte zijn positie door een huwelijk met Godilt van Bleyswyck, geboren rond 1230 en dochter van Gijsbrecht I Bokel, heer van Bleiswijk. Zij stamde uit het Huis van Weena, een geslacht dat nauw verbonden was met de vroege machtsstructuren rond Rotterdam en Schieland. Het huwelijk verenigde twee invloedrijke families in een regio die volop in ontwikkeling was.

Samen kregen zij drie kinderen:

  • Engelbert I van Cranenburg, die later zelf zes kinderen zou krijgen
  • Kerstant van Cranenburg
  • Hein van Cranenburg

Deze kinderen zetten de familielijn voort in een tijd waarin adellijke geslachten hun macht vooral ontleenden aan erfopvolging, huwelijken en het beheer van landerijen.

Van ridderhofstad naar kerkelijke waardigheid

Het leven van Bartholomeus nam een opmerkelijke wending na het overlijden van zijn vrouw Godilt in 1280.
Zoals vaker gebeurde bij weduwnaars uit de adel, vooral wanneer hun erfgenamen volwassen waren, koos hij voor een geestelijke loopbaan. Hij trad toe tot de kerk en bereikte een hoge positie: hij werd domproost van Utrecht, een van de belangrijkste functies binnen het kapittel van de Domkerk.
Sommige bronnen noemen hem zelfs domdecaan, wat zijn aanzien binnen de kerk nog verder zou onderstrepen.

Deze overgang van wereldlijke macht naar geestelijke waardigheid was niet ongebruikelijk in de 13e eeuw.
De kerk bood invloed, stabiliteit en een rol in het intellectuele en bestuurlijke centrum van het bisdom Utrecht, dat destijds een van de machtigste geestelijke vorstendommen van Noordwest-Europa was.

Het wapen van een oud geslacht

Het familiewapen van Bartholomeus weerspiegelt zijn afkomst en status: een zwart schild met drie zilveren wassenaars — wassende maansikkels, een oud symbool dat in meerdere takken van de familie Van Wassenaer voorkomt. Op de gekroonde helm prijkt de kop en hals van een brak, een jachthond met stompe snuit en rood getongd. Het wapen verbindt hem met een traditie die teruggaat tot de vroege middeleeuwen en die tot op de dag van vandaag herkenbaar is in heraldiek en regionale geschiedenis.

Einde van een tijdperk

Bartholomeus van Cranenburch overleed in 1308, op een moment waarop het middeleeuwse Holland zich snel ontwikkelde en de machtsverhoudingen tussen adel, steden en kerk begonnen te verschuiven. Zijn leven weerspiegelt de wereld van de 13e-eeuwse Hollandse edelman: geworteld in land en leen, verbonden door huwelijk en familie, en uiteindelijk opgenomen in de geestelijke elite van Utrecht.

Hoewel het slot Cranenburg zelf later zou verdwijnen — vermoedelijk tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten — leeft de naam voort in de geschiedenis van Bleiswijk en in de genealogieën van de Hollandse adel…

 

2. Engelbert I van Cranenburg

Een edelman tussen Bleiswijk en Den Haag

Rond 1255 werd in het veenrijke gebied van Bleiswijk een zoon geboren in een van de oudste adellijke families van Holland: Engelbert I van Cranenburg. Hij was het kind van Bartholomeus van Cranenburch, heer van de ridderhofstad Cranenburg, en Godilt van Bleyswyck, telg uit het Huis van Weena. Zijn geboorteplaats was vrijwel zeker het kasteel Cranenburch, gelegen aan de Rotte, een strategisch bolwerk in een tijd waarin het Hollandse landschap nog volop in ontginning was.

Een jeugd in een adellijk huis

Als zoon van een welgeboren heer groeide Engelbert op in een wereld waarin landbezit, leenrechten en familiebanden de fundamenten vormden van macht. De familie Van Cranenburg maakte deel uit van de regionale elite die het gebied tussen Rotterdam, Zoetermeer en Den Haag bestuurde. De jonge Engelbert leerde al vroeg wat het betekende om “welgeboren” te zijn: iemand van adellijke afkomst die riddermatig leefde, met alle plichten en verwachtingen die daarbij hoorden.

Ridder en landeigenaar

Tussen 1305 en 1308 wordt Engelbert in de bronnen vermeld als ridder, een titel die niet alleen militaire bekwaamheid vereiste, maar ook aanzien en financiële draagkracht. Zijn positie in de Hollandse ridderschap bevestigde zijn rol binnen de regionale machtstructuren.

Opmerkelijk is dat hij in 1334 wordt aangeslagen voor landhure op “die Gheest”, een gebied tussen de Loosduinse- en Scheveningseweg in het Haagambacht. Dit was een hoger gelegen zandige strook — een geest — waar zich een kapel bevond die waarschijnlijk de voorloper was van de latere Sint-Jacobskerk in Den Haag. De aanwezigheid van de familie Van Cranenburg in dit gebied wijst op een verschuiving van hun machtsbasis richting het groeiende Haagse centrum.

Verhuizing naar Eikenduinen

In de loop van zijn leven verliet Engelbert het Bleiswijkse kasteel van zijn voorouders. Hij vestigde zich in Eikenduinen, een gebied ten zuidwesten van Den Haag dat in de middeleeuwen bekend stond om zijn klooster, hofsteden en duinlandschap. Zijn zoons Willem, Jan en Dirc gingen met hem mee. Zijn broers Kerstant en Hein trokken naar een hofstede aan de Haagse Beek, deels gelegen in het huidige Segbroek. Zo verspreidde de familie zich over het gebied dat later de kern van Den Haag zou vormen.

Deze verhuizing weerspiegelt een bredere ontwikkeling in de 13e en 14e eeuw: de opkomst van Den Haag als bestuurlijk centrum rond het grafelijk hof, waardoor adellijke families zich steeds vaker in de omgeving vestigden.

Het wapen van Engelbert

Het persoonlijke wapen van Engelbert I van Cranenburg was opvallend en symbolisch geladen: een kraanvogel op een gouden veld, blauw van kleur, met rode poten en snavel, en in zijn rechterpoot een steen.

De kraanvogel met steen is een klassiek symbool van waakzaamheid: de vogel zou de steen laten vallen zodra hij in slaap dreigde te vallen, zodat hij onmiddellijk wakker werd. Voor een ridder en landeigenaar was dit een passend embleem — een teken van alertheid, trouw en verantwoordelijkheid.

Familie en nageslacht

Engelbert was gehuwd, al is de naam van zijn vrouw niet overgeleverd. Samen kregen zij een omvangrijk gezin, dat de familielijn verder zou verspreiden over Holland:

  • Willem Engelbrechtsz van Cranenburch (± 1295 – …)
  • Dirck Engelbrechtsz van Cranenburch (± 1295 – …) (Volgt 3)
    Gehuwd met Elisabeth van Beieren, vader van vijf kinderen
  • Everardus Engelbrechtsz van Cranenburch (± 1297 – …)
  • Jan Engelbrechtsz van Cranenburch (± 1300 – < 1367)
  • Philips Engelbrechtsz van Cranenburch (± 1307 – …)
  • Ghisebrecht Engelbrechtsz van Cranenburch (± 1308 – …)

Deze zonen vormden de basis voor meerdere takken van de familie, die zich in de 14e eeuw steeds meer richting Den Haag oriënteerden.

Einde van een leven in een veranderende wereld

Engelbert overleed in 1320, in een periode waarin het graafschap Holland zich snel ontwikkelde en de macht van steden en grafelijke instellingen toenam. Zijn leven vormt een schakel tussen het oude Bleiswijkse ridderdom van zijn voorouders en de opkomst van Den Haag als nieuw centrum van macht en adel.

Zijn naam leeft voort in de genealogieën van de Hollandse adel, in de geschiedenis van Bleiswijk en Den Haag, en in het wapen dat zijn waakzame kraanvogel toont — een passend symbool voor een man die zijn leven lang de brug vormde tussen land, familie en plicht…

 

3. Dirck Engelbrechtsz van Cranenburg

Een edelman in het hart van het Hollandse machtscentrum

Rond 1295 werd in de omgeving van Bleiswijk of Den Haag een zoon geboren in een familie die al generaties lang tot de Hollandse adel behoorde: Dirck Engelbrechtsz van Cranenburg. Hij was een zoon van Engelbert I van Cranenburg, ridder en landeigenaar, en groeide op in een wereld waarin adellijke status, leenrechten en militaire plicht nauw met elkaar verweven waren. De familie Van Cranenburg had haar wortels bij het oude slot Cranenburg in Bleiswijk, maar in Dircks tijd verschoof het zwaartepunt van hun invloed naar het gebied rond Den Haag.

Een jeugd in Eikenduinen

Dirck bracht zijn jeugd door in Eikenduinen, een gebied ten zuidwesten van Den Haag dat in de middeleeuwen bekend stond om zijn hofsteden, duinen en het nabijgelegen klooster. Het was een regio waar steeds meer adellijke families zich vestigden, aangetrokken door de nabijheid van het grafelijk hof in Den Haag. Hier leerde Dirck de vaardigheden die van een jonge edelman werden verwacht: paardrijden, jagen, wapengebruik en het beheer van landerijen.

Zijn vader Engelbert leefde riddermatig en bezat aanzienlijke gebieden, en Dirck trad duidelijk in zijn voetsporen. De bronnen noemen hem ridder, een titel die niet alleen militaire bekwaamheid vereiste, maar ook een zekere rijkdom en sociale status.

Een huwelijk dat de familie omhoogtilde

Dirck sloot een bijzonder prestigieus huwelijk. Hij trouwde met Elisabeth van Beieren, dochter van Margaretha van Beieren, gravin van Holland en Henegouwen, en van keizer Lodewijk van Beieren. Elisabeth was bovendien de zuster van hertog Albrecht van Beieren, die later graaf van Holland werd.

Dit huwelijk plaatste Dirck in de directe nabijheid van de hoogste kringen van de Europese adel. Het was uitzonderlijk dat een Hollandse ridder uit een regionaal adellijk geslacht huwde binnen de familie van een keizer en een regerend grafelijk huis. Het bevestigt dat de Van Cranenburgs in deze periode aanzienlijke invloed hadden opgebouwd.

Een rol in de regionale politiek

Dirck verschijnt in de bronnen als een man die actief deelnam aan het bestuurlijke en juridische leven van zijn tijd. Op Victorsdag 1330 bezegelde hij samen met zijn broer Willem en andere edelen een verdrag tussen Heer Willem van Oudshoorn, heer van Aarlanderveen en Rijnenburg, en diens broer Dirck van Oudshoorn. Het feit dat Dirck als getuige en zegelaar optrad, toont zijn positie binnen de ridderschap en zijn betrokkenheid bij regionale machtsverhoudingen.

Jager en landeigenaar

Dirck wordt in de overlevering ook genoemd als jager, een rol die in de middeleeuwen nauw verbonden was met adellijke status. Jachtrechten waren voorbehouden aan de adel en gingen vaak samen met het bezit van grote landerijen. Dat Dirck als jager wordt genoemd én een omvangrijk gebied bezat, bevestigt dat hij een welgeboren man was die een riddermatig leven leidde — precies zoals zijn vader voor hem.

Het wapen van Dirck

Zijn wapen was een variatie op het oude familiewapen, maar met een eigen karakter: op een rood veld drie zilveren kraanvogels, links gekeerd, in de rangschikking 2-1, elk met een steen in de opgeheven rechterpoot.

De kraanvogel met steen is een klassiek symbool van waakzaamheid en discipline. Het dier zou de steen laten vallen zodra het in slaap dreigde te vallen, waardoor het onmiddellijk wakker werd. Voor een ridder die verantwoordelijk was voor land, mensen en rechtspraak was dit een passend embleem.

Nageslacht

Dirck en Elisabeth kregen meerdere kinderen, die de familielijn verderzetten:

  • Dieric van Cranenburch
  • Aechte van Cranenburg
  • Engelbert II van Cranenburg († 1421), gehuwd met Lijsbeth Jan Mouwerijnsdr, jonkvrouwe van Burghersdijk; zij kregen één zoon
  • Johanna van Cranenburch (± 1345 – …)
  • Joannes van Cranenburch (± 1345 – …)

Met deze generatie verspreidde de familie zich verder over het gebied rond Den Haag, waar zij in de 14e en 15e eeuw een vaste plaats innam binnen de regionale adel.

Einde van een leven in een veranderend Holland

Dirck overleed in 1355, in een tijd waarin het graafschap Holland steeds centraler werd bestuurd en Den Haag zich ontwikkelde tot het politieke hart van de regio. Zijn leven vormt een schakel tussen de Bleiswijkse oorsprong van de familie en hun latere rol in het machtscentrum rond het grafelijk hof.

Hij was een ridder, landeigenaar, jager en echtgenoot van een vrouw uit een van de machtigste dynastieën van Europa — een combinatie die zijn plaats in de geschiedenis van de Hollandse adel stevig verankert.