Hugo de Groot

en het leven op Slot Loevestein

 

Slot Loevestein

Op zondag 16 juni 2019 waren wij wederom op Slot Loevestein.

De cast van House of Wax was aanwezig met “Hugo de Groot”.
Hugo de Groot kroop nog een keer in de boekenkist.
Op het terrein van Slot Loevestein werd het leven uit die tijd uitgebeeld.

Hugo de Groot op Slot Loevestein

Hugo de Groot
Geboren te Delft, op 10 april 1583, overleden te Rostock, op 28 augustus 1645.
Hij was een Nederlands rechtsgeleerde en schrijver. Hij is ook bekend als (Hugo) Grotius en wordt in oudere teksten sporadisch aangeduid als Huig de Groot.

De Groot schreef Latijnse tragedies en gedichten, theologische verhandelingen en Nederlandse gedichten. Zijn belangrijkste werken liggen op historisch en juridisch gebied. Zijn beroemdste werk is De iure belli ac pacis (Over het recht van oorlog en vrede) uit 1625. Het vormt de basis voor het moderne volkenrecht. Hij is ook bekend vanwege zijn pleidooi voor de vrije toegang tot de zee (en de vrijhandel) het Mare Liberum (1609), eerst in 1864 teruggevonden en gepubliceerd. Hedendaagse rechtsgeschiedkundigen beschouwen hem als een van de grootste juristen ooit. Grotius heeft een immense invloed op het internationaal publiekrecht uitgeoefend, zijn ideeën met betrekking tot de zeevaart bijvoorbeeld domineren het grootste deel van het hedendaags zeerecht. Grotius kan ingedeeld worden in de school van de humanisten.

De jeugdige Hugo de Groot ging al op elfjarige leeftijd studeren aan de universiteit van Leiden, waar hij omging met medestudent Daniël Heinsius. Hun gezamenlijke leermeester was de Franse filoloog Josephus Justus Scaliger. In 1598 mocht hij mee met een gezantschap naar Frankrijk, dat onder leiding stond van Johan van Oldenbarnevelt, en als doel had van koning Hendrik IV steun te verkrijgen voor een voortzetting van de opstand tegen Spanje.

Johan van Oldenbarnevelt (Amersfoort, 14 september 1547 – Den Haag, 13 mei 1619) was raadpensionaris van de Staten van Holland tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Hij werkte lange tijd samen met Maurits van Oranje (de zoon van Willem van Oranje), maar werd persoonlijk het slachtoffer van een door Maurits beheerst politiek proces en zijn daaropvolgende executie.

Het was tijdens deze reis dat de Franse koning hem le miracle de la Hollande zou hebben genoemd, en bovendien promoveerde Hugo in Orléans tot doctor in de beide rechten (5 mei 1598), dus het “gewone” wereldlijk recht én het kerkelijk recht. Hij begon zijn carrière in 1600 als advocaat in Den Haag; in 1607 werd hij in dezelfde stad advocaat-fiscaal van de Hoge Raad van Holland, Zeeland en West-Friesland. Zijn bekendste Nederlandstalige werk is Inleidinge tot de Hollandse Rechtsgeleerdheid.
In 1613 maakte hij als diplomaat deel uit van een delegatie naar Engeland. Daar onderhield hij zich met koning Jacobus I over de kerkelijke twisten tussen de remonstranten en de contraremonstranten. Hij ontmoette daar voor het eerst de uitgeweken Franse classicus en filoloog Isaac Casaubon, met wie hij voorheen al gecorrespondeerd had.
In datzelfde jaar werd hij tot pensionaris van Rotterdam benoemd.
Hugo de Groot trad in vele geschriften naar voren als verdediger van het kamp der Arminianen of, vanuit zijn gezichtspunt gezien, het kamp van hen die voor tolerantie ijverden, en van mening waren dat de staat het hoogste gezag was, en dus boven de kerk stond. Dat was ook het standpunt van Van Oldenbarnevelt, die bovendien weigerde een nationale synode van staatswege bijeen te roepen, omdat daarin ongetwijfeld Arminius veroordeeld zou worden.

 

Maurits van Oranje (Dillenburg, 14 november 1567 – Den Haag, 23 april 1625), prins van Oranje en graaf van Nassau was stadhouder en legeraanvoerder van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Tot hij in 1618 de titel prins van Oranje erfde van zijn halfbroer Filips Willem, werd hij Maurits van Nassau genoemd. Als kapitein-generaal voerde hij het leger aan tegen Spanje. Gedurende de Tien Jaren van 1588 tot 1598 behaalde hij onder het politieke leiderschap van de landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt vele overwinningen. Het was een keerpunt in de oorlog en de Spanjaarden werden uit het noorden en oosten van de Republiek verdreven. Op militair gebied was dit succes mede te danken aan de hervormingen die Maurits samen met de Friese stadhouder Willem Lodewijk in het leger doorvoerde. De goede samenwerking met Van Oldenbarnevelt kreeg een deuk toen Maurits tijdens een expeditie op een Spaans leger stuitte: de Slag bij Nieuwpoort. Tijdens het Twaalfjarig Bestand brak er een religieus conflict uit in de Republiek en koos Maurits de kant van de orthodoxe calvinisten (Gomaristen), waarmee hij recht tegenover Van Oldenbarnevelt kwam te staan, met uiteindelijk een machtsovername en de onthoofding van de landsadvocaat tot gevolg. De jaren erna ging het land zowel op bestuurlijk als op militair gebied achteruit. Op 23 april 1625 stierf Maurits in Den Haag.

 

Maria van Reigersberch was getrouwd met Hugo de Groot. Ze speelde een belangrijke rol bij diens ontsnapping in een boekenkist uit Slot Loevestein.

Prins Maurits, die zelf zei dat hij niet veel verstand had van theologie zag in de godsdiensttwisten vooral een bedreiging voor de eenheid van het land. Beweerd wordt wel dat hij de kans zag om de vredespartij buitenspel te zetten. In 1618 was de omzetting van het Twaalfjarig Bestand met Spanje in een permanent vredesverdrag echter al onwaarschijnlijk geworden door de regeringswisseling in Spanje. Het bestand had voor hem als legeraanvoerder geleid tot verlies van goede kansen in de zuidelijke Nederlanden. In augustus 1618 wist de prins dankzij de kwestie van de waardgelders de machtsstrijd in zijn voordeel te beslechten. Van Oldenbarnevelt en De Groot werden op 29 augustus 1618 gevangengenomen. Van Oldenbarnevelt werd ter dood veroordeeld en terechtgesteld. Een college van 24 rechters veroordeelde de remonstrant Hugo de Groot ‘ter eeuwige gevangenisse’. Aanvankelijk werd hij te Den Haag in hechtenis gehouden, maar op 5 juni 1619 werd hij overgebracht naar Slot Loevestein, toen een staatsgevangenis, later gevolgd door zijn vrouw Maria van Reigersberch en h un dienstmeisje Elselina van Houweningen.

Hij mocht wel blijven studeren en schreef in gevangenschap zijn Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheid. Daarvoor kreeg hij regelmatig een kist boeken, die soldaten bij een familie in Gorinchem ophaalden; later werd die kist terugbezorgd. Dat bracht Maria na anderhalf jaar op een idee. Zij maande Hugo: “Kruip in die kist en zorg dat je er twee uur in kunt blijven zitten zonder geluid te maken”. Ze liet hem avonden lang oefenen. De tijd begon te dringen, omdat het Twaalfjarig Bestand met Spanje binnenkort afliep, waarna mogelijk de vluchtroutes minder veilig zouden zijn.

Elselina van Houweningen, ook Elsje van Houwing, was het dienstmeisje dat meehielp bij de ontsnapping van Hugo de Groot in een boekenkist uit Slot Loevestein.

Op 22 maart 1621 ontsnapte Hugo uit Loevestein. Op deze dag was het jaarmarkt in Gorinchem, en de gevangenisbaas was weg. Maria legde met Elselina de boeken in het bed, zodat het net leek of Hugo ziek was. Met alleen zijn ondergoed en zijden kousen aan kroop hij in de kist. Elselina ging met de soldaten mee naar Gorinchem om de kist in de gaten te houden. Eenmaal bij de familie aangekomen stapte Hugo eruit om ijlings in metselaarskleren naar Antwerpen te vluchten. Vandaar vertrok hij naar Parijs. Aldaar ontving hij bezoek van de broers Cornelis en Dirk de Graeff.

Het roemruchte verhaal van deze ontsnapping werd door de publicatie van de biografie door Gerard Brandt, die het uit Elselina’s mond had opgetekend, een van de klassiekers van de Nederlandse geschiedschrijving, zozeer dat op diverse plaatsen, onder andere in het Rijksmuseum in Amsterdam en in de Prinsenhof in Delft, maar ook in New York en op Loevestein zelf, kisten worden bewaard waarvan gezegd wordt dat Hugo de Groot daarin ontsnapte.

In 1631 keerde hij terug naar Rotterdam, in de hoop dat hij zich weer in Holland kon vestigen. Zes jaar na de dood van Maurits was het politieke klimaat onder diens opvolger Frederik Hendrik veel milder geworden. Burgemeester Van Berkel pleitte voor amnestie voor hem in de Staten van Holland. Ook de historicus en dichter P.C. Hooft, die tot de kring rond de stadhouder behoorde, deed een goed woordje.

Maar De Groot zelf weigerde welk verzoek dan ook tot de Staten of de prins te richten; hij was ervan overtuigd dat hij niets verkeerds had gedaan. Het jaar daarop vaardigden de Staten een nieuw arrestatiebevel uit en moest hij in ballingschap gaan.

Vanaf 1634 woonde hij als gezant van Zweden in Parijs. Het was zijn taak om Franse steun te winnen voor de Zweedse interventiepolitiek in Duitsland. De Zweden streden toen aan de zijde van de Duitse protestanten in de Dertigjarige Oorlog. Als principieel en wat rechtlijnig remonstrant kon hij echter moeilijk overweg met de opportunistische Fransen onder kardinaal Richelieu. Onder invloed van de “Franse partij” aan het hof in Stockholm werd hij op 20 december 1644 teruggeroepen.

De jonge koningin Christina van Zweden wilde hem tot staatsraad benoemen om haar te adviseren in zaken van buitenlandse politiek. Maar bovenal wilde ze hem een wetenschappelijke bibliotheek voor haar laten samenstellen. De Groot voelde daar niets voor. Ook het noordelijke klimaat trok hem en zijn vrouw weinig aan. In maart 1645 vertrok hij uit Stockholm, naar Lübeck. Zijn schip leed echter schipbreuk bij het oversteken van de Oostzee. Hij kwam veilig aan wal, maar ver naar het oosten. Te paard reisde hij vanaf 13 augustus richting Lübeck, maar uitgeput bereikte hij Rostock. Daar overleed hij op 28 augustus. Zijn laatste woorden zouden zijn geweest: “door veel te begrijpen heb ik niets bereikt”. Hugo de Groot ligt begraven in de Nieuwe Kerk te Delft, vlak bij Prins Maurits.

Bron: Wikipedia – Hugo de Groot

 

  

    

   

Het leven op Slot Loevestein

  

  

  

  

  

    

  

    

  

    

     

    

  facebook       

© 20 juni 2019