Arnulfingen en Karolingen


Voorouders van Karel de Grote

 

Arnulf van Metz, de stamvader en naamgever van de Arnulfingen 

Arnulf van Metz

Arnulf van Metz

1. Arnulf van Metz (geboren Lay-Saint-Christophe (bij Nancy),  ca. 582 – overleden bij Remiremont, 16 augustus 640) was een Frankische edelman en later bisschop van Metz. Hij was een van de belangrijkste Frankische politici van zijn tijd en is na zijn dood heilig verklaard. Hij was eerst begraven in Remiremont maar is in 717 herbegraven in Metz in een abdij die daarna naar hem werd genoemd.
Arnulf diende aan het Austrasische hof onder Theudebert II (595-612) en was beheerder van de koninklijke domeinen en graaf aan de Schelde. In 613 leidde hij, met Pepijn van Landen en hofmeier Warnachar II van Bourgondië, de aristocratische opstand tegen de nieuwe minderjarige koning van Austrasië en Bourgondië, Sigebert II, en de koningin-overgrootmoeder Brunhilde van Austrasië die de feitelijke macht bezat – wat de oorzaak was van het conflict. De opstandelingen sloten een bondgenootschap met Chlotarius II van Neustrië. Tezamen versloegen ze de troepen van Sigebert en Brunhilde bij de Aisne, waarna Sigebert en Brunhilde werden gedood. In Andernach werd een verdrag gesloten waarin de autonomie van Austrasië en de leidende rol van de Austrasische adel werden vastgelegd.
In 614 gaf Arnulf te kennen dat hij in een klooster wilde treden maar in plaats daarvan benoemde Chlotarius hem tot bisschop van Metz, wat ook een politiek belangrijke functie was. In 623 werd hij voogd van Dagobert I, die door zijn vader tot koning van Austrasië was benoemd (wat ook een uiting is van de Austrasische autonomie). Een jaar later onderdrukte hij samen met Pepijn een opstand in Thüringen. En in 625 bemiddelde hij een overeenkomst tussen Chlotarius en Dagobert.
In 629 trad hij in het klooster van Remiremont, zou voor zieken en leprozen hebben gezorgd en de rest van zijn leven als kluizenaar hebben geleefd.
Arnulf wordt vaak de beschermheilige van de brouwers genoemd maar dat lijkt een verwarring te zijn met St.Arnold van Soissons. Zijn naamdagen vallen op 18 juli en 16 augustus.
Volgens de legende werd Arnulf gekweld door wroeging over zijn vroegere daden en gooide zijn bisschopsring in een rivier, zeggende dat hij pas zou weten dat God zijn zonden vergaf als hij de ring terug zou zien. Korte tijd later werd de ring teruggevonden in een vis.
In 717 zijn zijn resten overgebracht naar een Benidiktijner abdij van de Heilige Apostelen bij Metz. Deze abdij werd naar hem vernoemd en werd ten tijde van Karel de Grote een prominente plaats voor de begrafenis van de Karolingen; o.a. Lodewijk de Vrome (Nr 2.) en zijn moeder Hildegard (tweede vrouw van Karel de Grote) zijn er begraven. Door verbouwingen, oorlogsgeweld en door vernielingen tijdens de Franse Revolutie, zijn de abdij en de keizerlijke grafkelders verloren gegaan.
De voorouders van Arnulf zijn onzeker volgens alle bronnen. Deze worden alleen genoemd in latere genealogieën en lijken vooral tot doel te hebben om de Karolingen te verbinden met Merovingen en Romeinse voorouders. De Vita van Arnulf vermeldt alleen dat hij uit een rijke adellijke familie komt. Zijn familie had vermoedelijk bezittingen bij Metz en Verdun.
Voor hij bisschop werd, was hij getrouwd met Doda (geboren ca. 590). Na zijn benoeming tot bisschop zou zij in een klooster in Trier zijn getreden. Van Doda is eigenlijk niets bekend; de stelling dat zij een dochter van Arnoald was lijkt alleen gebaseerd te zijn op het gegeven dat zowel Arnoald als Arnulf graaf aan de Schelde waren, welke functie dan via Doda zou zijn doorgegeven. Arnulf en Doda hadden twee zoons:
– Ansegisel (607-voor 679), gehuwd met de H. Begga, overgrootvader van Karel de Grote. Arnulf wordt dan ook gezien als de stamvader van de Arnulfingen en de daaruit komende Karolingen.
– Chlodulf, bisschop van Metz.

Ansegisel2. Ansegisel, (verlatijnst, oorspronkelijk Ansegisel) (geboren ca. 610 – overleden 662) was een Frankische hofmeier. Hij was een zoon van Arnulf van Metz en zijn vrouw Doda. In 633 werd de toen drie jaar oude Sigibert III koning van Austrasië. Een jaar later werd Ansegisus benoemd tot een van zijn opvoeders en waarschijnlijk kreeg hij toen ook het ambt van hofmeier, dat Pepijn van Landen moest neerleggen. Hij onderdrukte samen met Pepijn, Kunibert van Keulen, Bubo van Auvergne en Leuthar van Allemanië een opstand van de edelen Radulf en Fara. In 662 nam hij deel aan de mislukte staatsgreep van zijn zwager Grimoald I en werd daarbij gedood door Gundewin.

Rond 645 huwde hij met Begga, de dochter van Pepijn van Landen. Ze kregen de volgende kinderen:
– Pepijn van Herstal (VOLGT 3), (ca. 645-714), hofmeier van Austrasië, Neustrië en Bourgondië.
– Clothildis van Herstal (ca. 650-699), gehuwd met koning Theuderik III van Neustrië (Zie de Merovingen Nr. 9), heilig verklaard.

Pepijn van Herstal

Pepijn van Herstal

3. Pepijn van Herstal, bekend met de bijnamen de Jonge, de Middelste of de Dikke, (Herstal, ca. 635 – Jupille-sur-Meuse, 16 december 714) was een Frankische hofmeier. Hij was de zoon van de hofmeier Ansegisel en van (de heilige) Begga, een dochter van de hofmeier Pepijn van Landen. Hij werd begraven in de abdij van Sint Arnulf (zijn grootvader) in Metz.
Door de mislukte staatsgreep van zijn oom Grimoald was zijn familie in politieke ongenade gevallen, waarbij veel prominente familieleden, onder wie zijn vader, gedood waren. Pepijn had nog wel de omvangrijke familiebezittingen langs de Maas en de Moezel. Door zijn huwelijk met Plectrudis(rond 670) verwierf hij nog meer bezittingen aan de Moezel en in de Eifel. Ook wist hij veel prestige terug te winnen door Gundewin te doden, de moordenaar van zijn vader.
In 679 was Pepijn een van de leidende edelen in Austrasië. Samen met Martin van Laon leidde hij het verzet tegen de hofmeier Ebroin van Neustrië en Bourgondië die ook de macht in Austrasië wilde verwerven. De Austrasiërs werden bij Laon verslagen, Martin werd gedood en Pepijn moest vluchten. In 680 werd hij hofmeier van Austrasië. Een jaar later werd Ebroin vermoord, en Pepijn sloot een verdrag met diens opvolger Waratton. In 687 kwam hij echter in conflict met Berthar, de nieuwe hofmeier van Neustrië en Bourgondië. Pepijn versloeg hem in de Slag bij Tertry. Koning Theuderik III benoemde Pepijn tot hofmeier van het gehele rijk en Pepijn erkende Theuderik als enige koning. Verder liet Pepijn zijn zoon Drogo trouwen met een dochter van Berthar.
In 689 versloeg hij de Friezen in de Slag bij Dorestad en veroverde hij alle gebieden ten zuiden van de Rijn. Aan de missionaris Willibrord gaf hij een oud Romeins fort, nu de stad Utrecht, als steunpunt voor zijn zending onder de Friezen. Ook onderwierp hij de Alemannen. In 691 deed hij een schenking aan de abdij van Sint-Arnulf te Metz. In 695 benoemde hij zijn zoon Grimoald II tot hofmeier in Neustrië en zijn zoon Drogo tot hofmeier in Bourgondië.
Getrouwd met Plectrudis rond 670 (= Pepiniden):
– Drogo (rond 670-708).
– Grimoald II, hofmeier in Neustrië, (rond 680 – vermoord in 714).

Met zijn tweede vrouw (in bigamie getrouwd) Alpaida (= Karolingen):
– Karel Martel (VOLGT 4) (23 augustus 686-22 oktober 741).
– Childebrand (vermoedelijk rond 690-751) (het is niet helemaal zeker dat Childebrand een kind was van Alpaida).

Karel Martel, stamvader en naamgever van de Karolingen

Karel Martel

Karel Martel

4. Karel Martel, (Herstal, geboren circa 689 – overleden Quierzy, 22 oktober 741) was hofmeier van het Frankische Rijk. Hij reorganiseerde het Frankische leger en bestuur en wist daarmee met succes zowel zijn binnenlandse als buitenlandse tegenstanders, met name de Arabieren, Friezen en Saksen het hoofd te bieden. Zijn macht werd zo groot dat hij de plaats van de Merovingische koningen innam, zonder zichzelf tot koning uit te roepen.
Karel wordt beschouwd als stamvader en naamgever van de Karolingen. Hij was zoon van Pepijn II en diens tweede vrouw in bigamie Alpaida, en is begraven in de abdij van Saint-Denis. Zijn bijnaam Martel (klemtoon op de laatste lettergreep: Martèl) komt van het Latijnse martellus, hamer. Daarmee wordt de spreekwoordelijke hamer bedoeld waarmee Karel de Arabieren ‘vermorzelde’.
Karel is geboren uit een twijfelachtig huwelijk van zijn vader Pepijn van Herstal. Pepijn was al getrouwd met de aristocratische Plectrudis en Karels moeder was vermoedelijk uit de lagere adel afkomstig. Volgens de overlevering was Plectrudis zeer dominant en toen Karel werd geboren, durfde de boodschapper die dit nieuws aan Pepijn kwam brengen, daar niet openlijk over te spreken omdat Plectrudis ook aanwezig was. De boodschapper en Pepijn (die hem heel goed begreep) spraken over de “kerel die was gekomen”, zo heeft Karel zijn toen ongewone naam gekregen.
Toen in 714 Karels halfbroer Grimoald II werd vermoord, had Pepijn geen zoons meer uit het huwelijk met Plectrudis en was Karel zijn oudste levende zoon. Plectrudis zorgde er echter voor dat Pepijn Karel en zijn broers uitsloot van de opvolging, en zijn minderjarige kleinzoon Theudoald (zoon van Grimoald) als opvolger benoemde. Toen Pepijn van Herstal nog in datzelfde jaar overleed, werd Theudoald inderdaad tot hofmeier voor het gehele Frankische rijk benoemd, met Plectrudis als regentes. Plectrudis liet Karel gevangennemen en sloot hem op in Keulen.
De adel in Neustrië en Bourgondië zag in het bewind van de minderjarige Theudoald zijn kans zich te bevrijden van de Austrasischedominantie en koos in 715 Ragenfried als hofmeier. Hierdoor was de situatie ontstaan, zoals in de kaart is weergegeven (Aquitaniëwas in die tijd een onafhankelijk Frankisch hertogdom). Ook de Friezen onder hun koning Radbod, profiteerden van de situatie door de gebieden die ze aan Pepijn van Herstal hadden verloren, waaronder Utrecht en omgeving, weer terug te veroveren. Ragenfried en Radboud sloten een bondgenootschap en vielen Austrasië aan. Een fractie van de Austrasische adel besloot dat ze onder deze omstandigheden een volwassen hofmeier nodig hadden, en bevrijdden Karel uit zijn gevangenschap. Ze waren echter te laat om Karel een volwaardig leger te laten opbouwen. In 716 vielen Ragenfried en Radboud, die met een vloot over de Rijn kwam, Theudoald en Plectrudis in Keulen aan. Karel probeerde de stad nog te ontzetten maar moest zich na de eerste schermutselingen al terugtrekken. Dit was het eerste en laatste gevecht dat Karel als veldheer zou verliezen. Plectrudis moest zich overgeven en de schatkist van Austrasië viel in handen van de aanvallers.
Na de verovering van Keulen wist Karel snel terug te slaan. Het Neustrische leger en een deel van de Friezen trokken door de Ardennen naar huis. Hun gezamenlijke leger was nog steeds veel groter dan het leger van Karel, maar hij wist door verrassing en list (hij veinsde op de vlucht te slaan, waardoor hij een achtervolging uitlokte, die hij vervolgens in een hinderlaag wist te lokken) de slag bij Amblève in zijn voordeel te beslissen. Hij kreeg bij die gelegenheid ook weer het grootste deel van de Austrasische schatkist in handen.
In 717 voerde Karel zelf een veldtocht naar Neustrië. Op 21 maart van dat jaar boekte hij een beslissende overwinning bij Kamerijk. Hij achtervolgde Chilperic II en zijn hofmeier tot aan Parijs. Daarna keerde hij terug naar huis, versloeg de aanhang van Plectrudis en veroverde Keulen. Hij riep vervolgens Chlotarius IV uit tot koning van het gehele rijk, met hemzelf als hofmeier. Karel benoemde ook een nieuwe bisschop in Reims. In 718 verbonden Chilperik en Ragenfried zich met Odo van Aquitanië, hun leger werd echter opnieuw verslagen in de slag bij Soissons. Odo vluchtte terug naar zijn hertogdom en leverde in ruil voor vrede Chilperik II en zijn hofmeier uit aan Karel. Odo erkende Karel als de rechtmatige hofmeier en Karel erkende Odo als hertog. Opmerkelijk is dat Karel al zijn verslagen tegenstanders ongemoeid laat.Nadat hij in 718 zijn macht heeft gevestigd in het Frankische Rijk, begint Karel een programma om het Frankische gezag over de noordelijke buurvolken te herstellen en zijn noordelijke grenzen te beveiligen…
Toen Karel hofmeier werd, bestond er geen georganiseerd Frankisch leger. In tijden van oorlog verzamelden de lokale bestuurders hun weerbare mannen en stelden zich onder aanvoering van hun hertog. Doordat Karel steeds in oorlog was en zich bovendien bewust was van het dreigende gevaar van de Arabieren, voerde hij radicale veranderingen door. Karel vormde een strijdmacht van trouwe veteranen om in een beroepsleger, dat door de staat werd betaald en bewapend. Hiermee beschikte Karel altijd over een krachtige, trouwe en snel inzetbare legermacht, die in tijden van oorlog altijd kon worden aangevuld met de gebruikelijke strijders uit de bevolking. Het leger dat Karel vormde, bestond in eerste instantie uit zware infanterie. Toen de stijgbeugel werd geïntroduceerd, konden ruiters ook actief deelnemen aan de strijd, en begon Karel ook aan de opbouw van een zware cavalerie. Dit moment moet rond 735 zijn geweest omdat hij tijdens de Slag bij Poitiers in 732 nog geen cavalerie had, terwijl deze bij de slag aan de Berre in 737 al een beslissende rol speelde.
Karel financierde zijn leger door kerkelijke bezittingen in beslag te nemen. De bisschoppen dreigden daarop om Karel te excommuniceren, wat alleen werd voorkomen doordat Bonifatius krachtige steun aan Karel gaf.
Karel Martel is het bekendst door zijn overwinning in de Slag bij Poitiers in 732, die traditioneel wordt gezien als de ‘redding van Europa van de Arabieren’. Tegenwoordig wordt de betekenis van deze veldslag genuanceerd: het was vermoedelijk niet meer dan een van de militaire acties in de grensconflicten tussen de Arabieren en het hertogdom Aquitanië die toen geregeld plaatsvonden. Het was niet de eerste keer dat de Arabieren werden verslagen door de Franken (in 721 had Odo van Aquitanië hun bij een verrassingsaanval verslagen tijdens het beleg vanToulouse), het was ook niet hun noordelijkste expeditie (725 hadden ze Autun geplunderd en zonder succes Sens belegerd) en ook niet het einde van hun activiteiten in Frankrijk. Odo had een bondgenootschap gesloten met de emir van Catalonië maar toen die in opstand kwam tegen de emir van Andalusië, kwam die in de problemen. Nadat de opstand was onderdrukt, viel een Andalusisch leger Aquitanië binnen, veroverde Bordeaux en versloeg Odo bij de Garonne. De Arabieren trokken al plunderend naar Tours. Odo vroeg Karel om hulp maar in ruil daarvoor vroeg die de onderwerping van Aquitanië aan zijn gezag.
Karel stelde zijn leger (zware infanterie) op in een defensieve positie op een beboste heuvel tussen Poitiers en Tours. Karels plan was om de Arabieren te laten aanvallen omdat hun cavalerie-charge tegen de helling op in een bos veel van zijn kracht zou verliezen. De Franken waren goed voorzien en warm gekleed (het was oktober) en konden hun positie lang volhouden. Na een week van afwachten viel de Arabische cavalerie aan. De slag zou twee dagen hebben geduurd zonder een duidelijke uitkomst. De volgende dag waren de Moren weggetrokken omdat ze bang waren dat de Franken hun buit zouden roven.
Na deze veldslag had Karel ook de controle over Aquitanië
.De hertog van Provence, Maurontius, wilde meer zelfstandigheid ten opzichte van Karel Martel en sloot in 737 een bondgenootschap met de Arabieren uit Narbonne en hielp ze om Avignon te bezetten. Karel stuurde zijn broer Childebrand om de stad te belegeren en sloot zich later bij hem aan. Met stormrammen en touwladders werd de stad ingenomen en tot de grond toe afgebrand. Maurontius vluchtte naar de Alpen, waarna niets meer van hem is vernomen. Karel belegerde daarna Narbonne. Een Arabisch leger dat de stad kwam ontzetten, werd vernietigend verslagen tijdens de slag aan de rivier de Berre. Karel dankte deze overwinning aan de inzet van zijn zware cavalerie, waar de Arabieren niet op hadden gerekend. De belangrijkste Arabische steden in Septimanië werden veroverd, behalve Narbonne. Moderne historici vinden deze overwinningen belangrijker dan die van Poitiers omdat hier echt van een doelgerichte Arabische invasie kan worden gesproken. Later in het jaar volgde nog een campagne tegen de Provence; Karel veroverde onder andere Arles en Aix – met hulp van de Longobarden.
Karel Martel stierf op 22 oktober 741 in Quierzy-sur-Oise in wat nu het Aisne departement in Picardië is. Hij werd begraven in de Kathedraal van Saint-Denis in Parijs. Zijn gebieden waren al een jaar eerder onder zijn volwassen zonen verdeeld: Carloman kreeg Austrasië en Alemannië (met Beieren als een vazalstaat) en Pepijn de Korte kreeg Neustrië en Bourgondië (met Aquitainië als vazalstaat). De toen minderjarige Grifo kreeg niets, hoewel sommige bronnen aangeven dat er over gesproken was hem een strook land tussen Neustrië en Austrasië te geven.
Karel Martel stierf op 22 oktober 741 in Quierzy-sur-Oise in wat nu het Aisne departement in Picardië is. Hij werd begraven in de Kathedraal van Saint-Denis in Parijs. Zijn gebieden waren al een jaar eerder onder zijn volwassen zonen verdeeld: Carloman kreeg Austrasië en Alemannië (met Beieren als een vazalstaat) en Pepijn de Korte kreeg Neustrië en Bourgondië (met Aquitainië als vazalstaat). De toen minderjarige Grifo kreeg niets, hoewel sommige bronnen aangeven dat er over gesproken was hem een strook land tussen Neustrië en Austrasië te geven.

Karel Martel was rond 709 getrouwd met Rotrude van Trier (rond 690-724) , mogelijk de dochter  van de heilige Liutwin, rond 700 bisschop van Trier.
Ze hadden de volgende kinderen:

  • Carloman (713-755) (713 – 755), hofmeier van het Frankische rijk tijdens de Merovingische periode.Hij was een zoon van Karel Martel en Rotrude van Trier. Samen met zijn broer Pepijn de Korte werd hij, na de dood van Karel Martel in 741 hofmeier. In 747 besloot hij echter monnik te worden, waarna zijn broer Pepijn alleen overbleef als hofmeier. Zijn dochter Rotrude was gehuwd met Gerard I van Parijs (Volgt Graven van Parijs nr. 1)
  • Pepijn de Korte (714-768) (Volgt Karolingen nr. 5)
  • H. Landrada
  • Hiltrude (716-754), gehuwd met hertog Odilo van Beieren(?-748)
  • Rotrude, gehuwd met Wouter van Reims (Volgt Graven van Reims nr. 2)

Na de dood van Rotrudis in 724 huwde Karel Martel de Beierse Swanahilde.
Uit dit huwelijk werden geboren:

  • Grifo (726-752)
  • Oda (ca. 735 – na 793), gehuwd met Theoderik II van Autun, een belangrijke hoveling van Lodewijk de Vrome aan diens hof in Aquitanië

Karel Martel had ook kinderen bij zijn bijvrouw Rothilde Gellone:

  • Bernard (geboren vóór 732-787)
  • Hieronymus, gehuwd met Ermentrude. Zij waren de ouders van Nithard (Zie Graven van Montreuil nr.1)
  • Remigius, aartsbisschop van Rouen
  • Aldana (geboren ca. 720), gehuwd met Theodoric Gellone, graaf van Autun. Zij hadden een zoon: Willem van Gellone (Zie Willem met de Hoorn)
Pepijn III de Korte

Pepijn de Korte

5. Pepijn de Korte, (Jupille-sur-Meuse, 714/715 – Saint-Denis, 24 september 768), de Korte of de Jongere genaamd, was vanaf 741 hofmeier en vanaf 751 tot zijn dood de eerste koning der Franken uit het Karolingische huis.
Hij was een zoon van Karel Martel en Rotrude van Trier. Hij trouwde met Bertrada van Laon, dochter van Charibert van Laon (Zie De Merovingen Nr. 11).
Omdat hij was genoemd naar zijn grootvader, Pepijn van Herstal, die op zijn beurt ook genoemd is naar zijn grootvader, Pepijn van Landen, beiden hofmeiers, wordt Pepijn de Korte ook wel genummerd als Pepijn III. Pepijn is de vader van Karel de Grote. Hij is begraven in de kathedraal van Saint-Denis.
Pepijn werd in 714 geboren in een geslacht van machtige hofmeiers maar ten tijde van zijn geboorte was zijn vader nog lang niet zeker van zijn positie. Pas na enkele jaren van burgeroorlog kon Karel Martel zich in 719 als hofmeier van alle Franken vestigen. Pepijn werd opgevoed in Saint-Denis. In 741 volgden hij en zijn broer Carloman hun vader op als hofmeier en de facto heersers van het koninkrijk tijdens een interregnum (737-743).
In 741 stierf Karel, in naam nog hofmeier maar in de praktijk koning van de Franken. Karel had niet eens de moeite genomen om de schijn op te houden en na de dood van de laatste koning had hij de positie vacant gelaten. Pepijn en zijn broer Carloman volgden hem op. Pepijn kreeg het gezag in het westelijk deel van het rijk (Aquitanië, Neustrië, Bourgondië, de Provence en de gebieden rond Metz en Trier), Carloman regeerde in het oostelijk deel (de rest van Austrasië, Thüringen, Alemannië en Beieren). Hun halfbroer Grifo kreeg enkele graafschappen in het westen van Austrasië. Aquitanië, Alemannië en Beieren waren onderworpen aan het Frankisch gezag maar behielden een hoge mate van zelfstandigheid.
De bijzondere verdeling van het westelijke grensgebied van Austrasië was vermoedelijk gebaseerd op een tweede verdeling: naast de regering moest ook het familiebezit worden verdeeld. En het familiebezit van de Karolingen lag in de dalen van de Maas en de Moezel. Het lijkt erop dat Pepijn de bezittingen in het Moezeldal kreeg, Carloman die in het Maasdal en dat ook Grifo enkele restanten kreeg.
In 742 bakenen Pepijn en Carloman hun domeinen af tijdens een bijeenkomst in Naintré. Grifo wordt in Laon gevangen genomen en gedwongen om in een klooster in te treden. Ze voeren samen veldtochten in Aquitanië en Alemannië.
De broers halen in 743 de Merovingische troonpretendent Childerik III uit het klooster en maken hem koning, vermoedelijk als zet tegen de hertogen van Allemanië, Beieren en Aquitanië, die ontevreden zijn over de behandeling van Grifo. Ze verslaan aan de Lech een verbonden Beiers-Alemannisch leger dat wordt ondersteund door Saksische en Slavische hulptroepen.
Het jaar daarop (744) verslaat Pepijn de opstandige Alemannen in de Elzas.
In 745 laat Carloman het grootste deel van de adel van de Alemannen (wegens verraad) doden tijdens een landdag in Cannstatt (tegenwoordig een wijk in Stuttgart). Het verzet van de Alemannen is hiermee definitief gebroken. De hertog van Aquitanië heeft gebruikgemaakt van de verwikkelingen in Allemanië door Neustrië aan te vallen. Hij wordt op zijn beurt ook door de broers verslagen.
Carloman treedt in 747, vermoedelijk onder dwang, in een klooster. Hij benoemt zijn zoon Drogo tot zijn opvolger en beveelt hem aan in de bescherming van Pepijn, maar Drogo wordt al snel door Pepijn terzijde geschoven. Pepijn is nu alleen hofmeier (dux et princeps Francorum). Grifo ontsnapt naar Beieren, waar zijn moeder, Swanahilde, de tweede vrouw van Karel Martel, vandaan komt, Pepijn dwingt hertog Odilo van Beieren om zijn gezag te erkennen.
Wanneer in 748 Odilo van Beieren sterft, probeert Grifo in Beieren de macht te grijpen. Pepijn valt Beieren binnen en installeert de minderjarige Tassilo III als hertog. Hij benoemt Grifo tot markgraaf van de Bretonse mark.
In 743 zijn op voorstel van Bonifatius in Austrasië hervormingen doorgevoerd in de kerk. Deze zijn gericht op handhaving van het celibaat en het opgeven van de onmatige manier van leven van de geestelijkheid. In 744 roept Pepijn een concilie bijeen te Soissons om de hervormingen ook in Neustrië door te voeren. Pepijn paaide de ontstemde geestelijkheid door eerder door zijn vader in beslag genomen kerkbezittingen weer terug te geven.  Naast zijn actie in Beieren in 748 is van de eerste jaren van de regering van Pepijn als enige hofmeier alleen bekend dat hij in 749 bezittingen schenkt aan het klooster van Prüm.
In 751 sluit Pepijn een overeenkomst met paus Zacharias. De paus is ernstig in het nauw gebracht door de Longobarden die van de interne problemen in het Byzantijnse Rijk gebruik maakten door eerst Ravenna te veroveren en vervolgens Rome te bedreigen. Als wederdienst steunde de paus Pepijn in zijn streven om zelf koning te worden. Volgens de overlevering vroeg Pepijn aan de paus wie koning moest zijn: diegene die de titel droeg of hij die de eigenlijke macht uitoefende. Tijdens een landdag in Soissons werd Childerik III, de laatste koning van deMerovingen, afgezet en gedwongen in te treden in het klooster St Bertinus in St Omer, en werd Pepijn tot koning gekozen.
In 752 zendt Pepijn Chrodegang naar Rome als gezant naar de nieuwe paus Stefanus II (III). Voordat Pepijn tegen de Longobarden kan optrekken, moet hij eerst nog enkele andere zaken afwikkelen. In 753 verslaat hij de Saksen en in datzelfde jaar wordt zijn halfbroer Grifo bij Maurienne gedood, wanneer hij de Alpen wilt oversteken om zich bij de Longobarden aan te sluiten.
In 754 reist paus Stefanus II naar Pepijn om het bondgenootschap tegen de Longobarden te bevestigen en zalft Pippijn en zijn zoons opnieuw.[8] De Frankische edelen zweren op straffe van excommunicatie om alleen nakomelingen van Pepijn als koning te kiezen. Pepijn belooft op zijn beurt aan de paus een eigen staat rond Rome, onder zijn bescherming. Deze gift van land staat bekend als de Donatie van Pepijn. Carloman komt uit zijn klooster in Italië en trekt als onderhandelaar namens de Longobarden naar zijn broer, hij verblijft bij zijn schoonzuster Bertrada. Zijn missie blijft zonder succes, maar is vermoedelijk wel de aanleiding dat zijn zoon Drogo gedwongen wordt om in een klooster te treden. Carloman sterft korte tijd later in Vienne.
In 755 belegert Pepijn de Longobarden in hun hoofdstad Pavia en sluit een vredesovereenkomst met hun koning Aistulf. In 756 verbreekt Aistulf de bepalingen van het verdrag en belegert de paus in Rome. Pepijn trekt opnieuw naar Italië en dwingt de Longobarden om het exarchaat van Ravenna af te staan, dat hij vervolgens aan paus Stephanus II schenkt. Dit leidt tot spanningen met de Byzantijnen, omdat Ravenna voor de verovering door de Longobarden Byzantijns was. Pippijn wordt door de paus tot Patricius van Rome benoemd.
Terug in eigen land voert hij een monetaire hervorming door waarbij de zilveren denarius als eenheidsmunt wordt ingevoerd. In 757 voert hij oorlog tegen de Saksen en dwingt hij Tassilo III van Beieren een eed van trouw aan hem af te leggen. In 758 volgt nog een campagne tegen de Longobarden en in 759 verdrijft hij de Arabieren uit Septimanië.
In 760 begint Pepijn een campagne tegen hertog Waifar van Aquitanië. Hij slaagt erin zijn macht over dit hertogdom systematisch van noord naar zuid uit te breiden. In 761 verwoest hij de stad Clermont-Ferrand en schenkt, onder bedreiging van excommunicatie, grote sommen voor herbouw van de kerk. Gedwongen door een hongersnood moet hij zijn campagnes in 764 opschorten maar na het overlijden van Waifar weet hij zijn macht over Aquitanië definitief te vestigen.
De bijnaam “de Korte” die veel wordt gebruikt lijkt geen enkele historische grond te hebben maar door middeleeuwse geschiedschrijvers te zijn geïntroduceerd. Pepijn zet het binnenlandse beleid van zijn vader voort (ontwikkeling naar feodale structuren, opbouw zware cavalerie) en legt het huwelijks- (en scheidings-) recht vast. Ook stelt hij een hofkapel en een kanselarij in, en bereidt een hervorming van de liturgie voor.
Pepijn sterft in Saint-Denis in 768, en ligt daar nog altijd begraven naast zijn vrouw Bertrada van Laon. Volgens zijn eigen wens is hij begraven met zijn gezicht naar beneden, als boetedoening. Zijn rijk wordt verdeeld door zijn zonen Karel en Carloman.
In zijn eerste huwelijk was Pepijn getrouwd met een prinses uit het Donaugebied. Hij verstoot haar voor Bertrada van Laon. Door te nauwe verwantschap zijn er jaren nodig voordat de kerk het huwelijk met Bertrada erkent. In 762 wil Pepijn haar verstoten maar dat mislukt door verzet van de paus. Pepijn en Bertrada hadden de volgende kinderen:

  • Karel de Grote (Volgt Stamreeks Karel de Grote)
  • Carloman I was koning der Franken van 768 – 771. Hij was de tweede zoon van Pepijn de Korte.Samen met zijn broer Karel de Grote werd hij in 754 door paus Stephanus II tot koning gezalfd. Na Pepijns dood in 768 werd het koninkrijk verdeeld onder Karel en Karloman. Karloman kreeg de zuidoostelijke regio toebedeeld, bestaande uit het zuidelijk deel van Austrasië (waarin onder andere Thionville), het zuidelijk deel van Neustrië (waarin onder andere Parijs, Soissons, Samoussy en Attigny), Bourgondië, de Provence, Septimanië, de Elzas, Alemannië en zuidelijk Aquitanië. Hij liet zich kronen in Soissons. Er was behoorlijk wat spanning tussen de broers en dat is mogelijk de reden van het overlijden van Carloman.
    Carloman was gehuwd met Gerberga en zij hadden twee kinderen:
    – Pepijn
    – de heilige Ida van Herzfeld, gehuwd met Egbert van Saksen (Zie Graven in Saksen nr. 1).
  • Gisela, 757 -, 30 juli 810). In 765 verloofd met de latere keizer Leo IV van Byzantium maar de verloving werd verbroken. In 788 tot abdis van Chelles benoemd.
  • Pepijn (759-761)
  • Chrotais, jong overleden, begraven in de abdij van St Arnulf in Metz.
  • Adelais, jong overleden, begraven in de abdij van St Arnulf in Metz.
  • mogelijk nog twee onbekende dochters, waarvan er één door Maximinus van Trier zou zijn genezen van een ernstige ziekte.

Bronnen: o.a. Wikipedia

Terug naar:

Karel de Grote

 

handtekening 2015

15 maart 2015