Het Menselyk Bedryf

Talloze Nederlanders kennen ze: de beroemde afbeeldingen van de in totaal honderd oude beroepen uit het boekje Spiegel van Het Menselyk Bedryf (1694). De plaatjes duiken nog altijd op op tegeltjes, plastic winkeltassen en in glas-in-loodruitjes. Geestelijk vader van de originele afbeeldingen is illustrator Jan Luyken (1649-1712). Samen met zijn zoon en enige leerling Casper Luyken (1672-1708) werkte hij schetsen van oud-Hollandse beroepen uit tot etsen en bundelde deze in een boek. De uitgave was een groot succes.
De prenten uit Het Menselyk Bedryf vormen hoogtepunten uit de omvangrijke oeuvres van Jan en Casper Luyken. Vader en zoon worden beschouwd als de belangrijkste boekillustratoren van hun tijd.

 

 

Jan Luyken, door A. Boonen/P. Sluiter; naar A. Houbraken; onderschrift van Adr. Spinniker.                                                     Afbeelding: Wikipedia

Jan Luyken (Johannes Luiken)
Geboren te Amsterdam op16 april 1649, overleden aldaar op 5 april 1712.
Hij was een dichter, schilder en etser uit de 17e eeuw.

Hij werd geboren als zoon van de onderwijzer Caspar Luyken (die zelf ook een boek schreef, “Winst zonder Verlies”) en Hester Coores. Zijn ouders waren doopsgezinde collegianten, volgelingen van dr. Abraham Galenus. De zoon was een levenslustige jongeling die schilderlessen volgde bij Martinus Saeghmolen, en had veel oog voor vrouwelijk schoon. Veel van zijn indrukken gaf hij vorm in zijn eerste dichtbundel “Duytse lier”, die eind 1671 verscheen.

Drie maanden later trouwde hij met een zangeres Maria de Ouden (1647 – 1682), aan wie het slotdicht van Duytse lier was gewijd. Samen kregen zij 5 kinderen die jong gestorven zijn, behalve zoon Caspar (Caspaares) (1672-1708), met wie hij later zijn bekendste boek maakte, Spiegel van het Menselyk Bedryf.

Toen hij 26 jaar oud was, had hij een religieuze ervaring waardoor hij een degelijker leven wilde leiden en werd doopsgezind. Dat kwam tot uitdrukking in zijn dichtwerk, dat veel stichtelijker werd.

Vanaf 1677 ging hij zich toeleggen op etsen en gravures, en hij maakte naam als geniale etser in 1680 met 24 illustraties van het boek Oorsprongk, begin, en vervolgh der Nederlandsche oorlogen, een populair geschiedenisboek, ooit uitgegeven door de welbekende Pieter Christiaenszoon Bor. Luyken is ook bekend van zijn moralistische prenten met als titel De gierigheid bedreigt de wijsheidDe baggermolen: het aardse is slijk en De boekenkast – waarom zoveel? en etsen over het lijden van de Christelijke martelaars. Luykens etsen getuigen van grote plasticiteit door de gerichte arceringen van de figuren en het bedacht inzetten van groepen personen ten opzichte van elkaar om de ruimtelijkheid van het landschap te versterken. Hij weet ook in zijn etsen de levendigheid van gebladerte en rook en vlammen zeer realistisch weer te geven in werk getiteld Viering van het Loofhuttenfeest en De wetgeving op de berg Sinaï.

Het boek Spiegel van het Menselyk Bedryf (1694) door Jan Luyken en zijn zoon Caspar beschrijft het werk van honderd ambachten in Amsterdam tijdens de Gouden Eeuw. Het is een emblemataboek in de traditie van Jacob Cats en is vele malen herdrukt.

Uit:
Wikipedia – Spiegel van het Menselyk Bedryf
Geheugen van Nederland – Boekillustratoren Jan en Casper Luyken
Wikipedia – Jan Luyken

 

Inhoudsopgave

De Backer. Die ’t lichaam voed, Is voor’t Gemoedt.

De Kleermaaker. ô Mens besteed’, Uw beste kleed.

De Timmerman. Het minder word betracht, Het meerder niet bedacht.

De Metselaar. De qũaa Gebũũr, Vereist een mũũr.

De Glasemaaker. Het leeven sucht, Na licht en lucht.

De Lootgieter. Leid het Goed, In’t Gemoedt.

De Schrynwerker. Best gekist, Minst gemist.

De Schuyermaaker. Een ider soeck, d’Onreine hoeck.

De Beesemmaaker. Maakt schoon en vaagd, Daar’t God behaagd.

De Mandemaaker. ’t Ondichte vat, En houd geen nat.

De Seevemaaker. Gij die op’t klyne siet, Versuimd het groote niet

De Stoelemaaker. Al was’t van Goud, Het breekt als Hout.

De Gaarentwynder. Al scheen het haat, Het mach geen quaat.

De Syreeder. Mensoeck, en draag, Dat God behaag

De Wolbereider. De Nacht verdwynd, Als’t Dachie schynd.

De Weever. Ghy die wel op uw handwerck let Maakt doch het Stuck uw’s leevens net.

De Droogscheerder. Hy’s wys, die’t kleet bereit, Dat ewig niet verslyt.

De Veruwer. Gemeenheit, geeft, Eenheidt.

De Schoenmaaker. Siet op het middel niet, Maar daar het om geschiet

De Kammemaaker. Kam uit de klis, Eeer’t slimmer is.

De Brillemaaker. Niet hier en gunt, Maar op een punt.

De Naaldemaaker. Hoe meer beset, Hoe eer belet.

De Speldemaaker. Een wys besluit, Siet veer voor uit.

De Gouddraadtrecker. Deugd houd Jeugd

De Geelgieter. Alle Schyn, Is geen Syn.

De Tinnegieter. Soeckt in u selfs den Schat, Van’t aller schoonste Vat.

De Balansemaaker. Houd goed gewicht, voor’t naau gesicht.

De Smit. Besteed uw Vlyt, Ter rechter tydt.

De Kooperslaager. Als’t sal bereid zyn, Sal’t eind der stryd zyn.

De Lantaarenmaaker. Wild ghy niet dwaalen, Volgd Jesus straalen.

De Messemaaker. Daar lachgen zy, woond weenen by.

De Swaardveeger. Een Schaapie, dat nooid bloed vergoot, En draagd geen wolfsklaau aan zyn poot.

De Roeremaaker. Het Deugd Geweer is goed, Voor’t quaad dat u ontmoet.

De Schaatsemaaker. Om licht behaagen, Een wichtig waagen.

De Boommaaker. Vloed dryft u neer, Steld u te weer.

De Pompemaaker. Die niet te grond wil gaan, Diend hand aan’t werck te slaā

De Scheepstimmerman. Myd Sand en klip, Met’s leevens Schip.

De Lyndraaier. De ganch is slecht, Maar’t werck is recht.

De Seilemaaker. De vlugge wind, Vat, daar hei’t vind.

De Kũiper. Soo’t niet en slũit, Het leckt’er ũit.

De Olislaager. Perst Oli van’t Gemoed, Die’t licht der Vroomheid voet

De Kaarsemaaker. Verliest het minst, Om groote winst.

De Vleeshouwer. Onbedacht, Slaat geen acht.

De Pasteibacker. Heeden mooy, Morgen Hooy.

De Suikerbacker. In Christi Bloed, Lach God’lyk Soet

De Apoteeker. De dranck van Christi bloed, Is kostlyck voor’t gemoed.

De Hovenier. De rechte Gaarde, Is niet op aarde.

De Moolenaar. Den Heemel geeft, Wie vangd die heeft.

De Brouwer. De laaving staatgereed, Waar is het dorstend Leed?

De Grutter. Dat binnen sit, Is’t rechte Pit.

De Waagemaaker. Syt ghy belust op soet gemack, Laad op den Heer uw lastig pack.

De Saalemaaker. Uw eigen dier, Vereist bestier.

De Blaasbalckemaaker. Haald door uw sucht, Uit God uw Lucht.

De Draaier. D’uitvindingen zyn veel, Doch min voor’t Ewig deel.

De Instrumentmaaker. ’t Is goed, of quaad, Naa ’t oogwit staat.

De Chirurgyn. ’t Hert eist te syn verbonden, van doodelyke wonden.

De Pruikemaaker. Behaagd de wereldt niet, Maar’t Oog dat alles siet.

De Hoedemaaker. De hoed der Deugd is schoon, Meer dan een goude kroon.

De Leerbereider. Wat helpt de Slaaverny, Daar ’t best vergeeten zy.

De Papiermaaker. Al is het slecht, Het komt te recht.

De Boeckdrucker. Schept uw Geluck, Uit pers en druck.

De Plaatdrucker ’t Geen’t hert in sich besluit, Dat druckt het van sich uit.

De Boeckbinder. Het oog van’t ewig weesen, Kan’t boeck uw’s herten leesen.

De Schoolmeester. Maakt medecyn, Niet tot fenyn.

De Orlosimaaker. Dat men bereid is, Terwyl het tyd is.

De Spiegelmaaker. Gelykenis hangd af, Van weesen, dat sulx gaf.

De Glasblaaser. Een fynder Stof, Leid onder’t Grof.

De Bleeker. Wat pocht ghy op uw Sind’lyckheid, Die’t Kleed der Zielen vuyl verslyt.

De Steensaager. Al met’er tijd, Aan’t end der stryd.

De Steenhouwer. Hoewel verspreid, Nochtans bereid.

De Tichgellaar. De Godsdienst maakt ons vry, Van Saatans Slaaverny.

De Pottebacker. Draagd in uw vat van aarde, Een Schat van meerder waarde.

De Lymmaaker. Hecht uw Gemoed, Aaant Eeuwig goed.

De Veender. ’t Is ongesien, Doch’t kan geschien

De Bergwercker. Hoe hoog van waardē, ’t Is Stof der Aarden.

De Munter. Het hert verlicht met heemel schyn, Begeerd geen Sack van Geld te Zyn.

De Goudslaager. Onder’t vlies, Sit verlies.

De Silversmit. Hoe eel van stof, Noch veel te grof.

De Goudsmit. Tast naa de grond, Daar’t uit ontstond.

De Diamantslyper. ’t Syn Dropies uit een Bron, Die eindicht, noch begon.

De Peerelgaater. Ô gaauwe koopman soekt en bied, Naa’t Peereltie, dat jesus hiet.

De Borduurder. Doorstikt uw Hert met kunst der Deugd, Dat ghy voor Eedel gelden meugd.

De Tapeitwerker. Hoe schoon bereid, De Dood die scheid.

De Schilder. Al wat het oog besiet, Ist prinsepaal nog niet.

De Plaatsnyder. ’t Herstellen als’t vervallen, Dat komt van een op allen.

De Beeldhouwer. Ô mens verkies, Winst uit verlies.

De Musikant. Is’t Dropie soet, Staat naa de vloed.

De Astrologist. Daar’t meest aan is geleegen, Staat meest te overweegen

De Advokaat. Het Stof, en Slyck der Aard, En is den Twist niet waard.

De Scheider. Dieu ontbind Dat is uw Vrind.

De Docter. God is de Medecyn, Voor doodlik hels fenyn.

De Leeraar. Die gaaren Eeuwge welvaard sag, Die Preek sich self den gansen dag.

De Landman. Eerst gesaaid, Dan gemaaid.

De Zeeman. Die’t Oosten wil beryken, Moet van het weste wyken.

De visser. Ghy al, die swemd, in’s weerels Stroomen, ’t Groot visnet kund ghy niet ontkoomen.

De Jaager. De lustender Sonden, Syn bytende Honden.

De Koopman. Sied veer, en wroet, Om Eeuwich Goed.

De Krygsman. Verdraagen en lyden, Is Christelyk stryden.

De Heerscher. Heerst over de Rebellen, Die’t Herten Ryk ontstellen.

De Doodgraaver. Die sich wat voor laat staan, Sie deesen Spiegel aan.

 

 

Links en afbeeldingen uit:
DBNL -Spiegel van het Menselyk bedryf
Handig:
Beroepen van Luyken op alfabetische volgorde

Terug naar:

Geschiedenis & Genealogie

  facebook        

© 20 december 2020