‘s-Gravenhage

Den Haag of ‘s-Gravenhage is de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland en met 526.439 inwoners (30 april 2017, bron: CBS) de op twee na grootste gemeente van Nederland, na Amsterdam en Rotterdam. Sinds 1 januari 2015 vormt Den Haag samen met 22 andere gemeenten de Metropoolregio Rotterdam Den Haag, met gezamenlijk 2,3 miljoen inwoners.[2] Deze regio maakt op haar beurt weer deel uit van de Randstad.

Den Haag is de enige grote Nederlandse stad aan de Noordzee en heeft een kustlijn van elf kilometer. De stad beschikt over twee badplaatsen: Scheveningen en Kijkduin. Daarnaast ligt een breed zandstrand met een duinenrij, een omvangrijk natuurgebied. Scheveningen – vroeger een vissersdorp – heeft een regionale haven. Door de ligging aan de Noordzee is Den Haag sinds de 19e eeuw een internationaal toeristenoord.

De Nederlandse regering en het parlement zijn in de stad gevestigd, en het is de residentie van het koninklijk huis.[3] Al is Den Haag niet de hoofdstad van Nederland, het vervult wel degelijk die rol. Zo staan bijna alle ambassades en ministeries in Den Haag.
Daarnaast is de stad standplaats van vele nationale en internationale rechtscolleges, waaronder het Internationaal Gerechtshof, en het Internationaal Strafhof. 

Vanouds werd de plaats Die Haghe of Den Hag(h)e genoemd. Vanaf het begin van de 17e eeuw gebruikte het stadsbestuur officieel de naam ‘s-Gravenhage, die deftiger klinkt en een samentrekking is van ‘des Graven ha(a)ge’ (waarschijnlijk werd het toen al opgevat als de Haag (= het bos) van de Graaf van Holland). De oude naam Den Haag bleef in de volksmond bestaan.Sinds 1990 gebruikt de gemeente consequent de naam Den Haag in plaats van ‘s-Gravenhage, ook in verband met de internationalisering van de hofstad, haar huidige status van mondiaal justitieel centrum (met onder andere het Internationaal Gerechtshof en het Strafhof), en om aan te sluiten bij buitenlandse benamingen als The Hague (Engels) en La Haye (Frans). In identiteitskaarten en officiële stukken van de gemeente staat echter ‘s-Gravenhage,[4] nadat in 1990 een voorstel om de gemeentenaam officieel in Den Haag te veranderen was afgewezen. De telefoondienst en de posterijen gebruiken eveneens ‘s-Gravenhage. De spoorwegen en wegbeheerders gebruiken de kortere naam Den Haag. In de BAG[5] staat de woonplaatsnaam ‘s-Gravenhage (woonplaatscode 1245). De woonplaats ‘s-Gravenhage omvat het gehele grondgebied van de gelijknamige gemeente.De naam ‘Den Haag’ wordt gebruikt in een figuurlijke betekenis voor de Nederlandse overheid en het parlement. In zijn verkleinvorm kan ‘Den Haag’ een archetype zijn: het Haagje wordt gebruikt voor een ‘deftig’ aandoende plaats of een die met het Oranjehuis geassocieerd wordt. Zo wordt Breda het Haagje van het Zuiden genoemd, Arnhem het Haagje van het Oosten, Roermond het Haagje van Limburg en het Friese Haagje is een bijnaam van Heerenveen.

Den Haag was vanouds de plaats waar Nederlanders die in de Nederlandse koloniënwerkzaam waren hun langdurig verlof plachten door te brengen. Na de onafhankelijkheid van Nederlands-Indië zijn veel Indische Nederlanders in Den Haag gaan wonen, vandaar de bijnaam De Weduwe van Indië.

Het symbool van Den Haag is de ooievaar. In de 14e eeuw komen in grafelijke rekeningen posten voor ten behoeve van herstel van ooievaarsnesten en in de 16e eeuwtoont het wapen van Den Haag de ooievaar. De oudste afbeelding van de ooievaar in het Haagse wapen staat op de luidklok Jhesus van de Grote of St. Jacobskerk die in 1541 is gegoten. Na 1586 tonen ook de lakzegels van Den Haag een ooievaar met een paling in de bek. In 1991 schafte de gemeente het gebruik van het wapen af en gebruikte hiervoor in de plaats een logo van een vliegende ooievaar. In 2013 werd besloten tot de herintroductie van het wapen, ditmaal met de wapenspreuk Vrede en Recht. Deze wijziging werd begroot op € 250.000 voor ontwerp en drukwerk, de kosten voor totale omschakeling op de nieuwe huisstijl zijn niet gespecificeerd.

Den Haag heeft van oudsher nooit stadsrechten gehad. Desondanks kreeg het al in de middeleeuwen bestuurlijke instellingen die alleen in steden voorkwamen. Prins Maurits had al vergevorderde plannen om van Den Haag een vestingstad te maken, maar de Staten Generaal zagen dit als een aantasting van de onafhankelijkheid van het bestuurscentrum van de zeven provinciën. Den Haag kreeg in 1806 van koning Lodewijk Napoleon en in 1810 van keizer Napoleon de eretitel stad. Na het ontstaan van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 werd in Koninklijke Besluiten alleen nog gesproken van de “stad ’s Gravenhage”. Dit gaf geen bijzondere rechten meer, want het stadsrecht was al in 1795 tijdens de Bataafse Republiek afgeschaft.

Lang voor die tijd had Den Haag al bijzondere privileges ontvangen die Den Haag bestuurlijk het karakter van een stad gaven. Het waren echter de overige steden die voorkwamen dat Den Haag, als zelfstandige stad, zitting kon nemen in het bestuur van het gewest Holland. Ook op andere terreinen had Den Haag de kenmerken van een stad:

  • Den Haag had (sinds 1370) een eigen rechtbank en mocht eigen keuren (verordeningen) vaststellen;
  • Den Haag had (sinds 24 augustus van hetzelfde jaar) burgers, in het algemeen werd de term burger enkel gebruikt in samenhang met steden;
  • Den Haag had een typisch stedelijk bestuur, met burgemeesters (sinds 1559), een secretaris (pensionaris) en een vroedschap (sinds 1451);
  • Den Haag had twee eigen schutterijen: het Sint-Jorisgilde (sinds de 14e eeuw) en het Sint-Sebastiaansgilde (sinds de 15e eeuw);
  • Den Haag had stedelijke rechten op economisch gebied: een jaarmarkt (sinds 1334), tolvrijheid (1373), gilden, een lakennijverheid, bierbrouwerijen en andere typisch stedelijke nijverheid;
  • Den Haag heeft met de Grote of Sint Jacobskerk sinds de 14e eeuw een stadskerk en geen dorpskerk.

Het wettelijke verschil tussen stad en platteland is na de grondwet van 1848 en de Gemeentewet van 1851 vervallen.

  • Sinds 2012 mag de stad – bij Koninklijk Besluit – een wapenspreuk voeren: ‘Vrede en recht’.
  • In december 1958 won Den Haag de ‘Prix de l’Europe’, een eerbetoon van de Raad van Europa aan gemeenten die zich bijzonder ingezet hebben voor de eenwording in Europa.
In het Haagse gebied woonden al vroeg mensen, lang voordat er sprake was van een dorp met de naam Den Haag. De oudste archeologische vondsten gedaan in de omgeving van het Binnenhof dateren uit circa 3000 v.Chr.; zo werd in 1912 bij de bouw van Hotel Central aan de Lange Poten, nu onderdeel van het Tweede-Kamercomplex, een gave vuurstenen vuistbijl gevonden, waarvan de gebruikers ingedeeld kunnen worden bij de Vlaardingencultuur.[13]In de 2e eeuw na Chr. lag er in de duinen aan de zuidrand van de stad een Romeins fort met bijbehorende nederzetting, de zogenaamde Vicus van Ockenburgh. Hier zijn al vanaf de jaren 20 opgravingen verricht.

Sprooksprekers in de ridderzaal, door J.H. Isings

Het huidige Den Haag bestaat sinds 1230, toen graaf Floris IV van Holland op de plek waar reeds een hofstede stond van Vrouwe Meilindis van Wassenaer een bescheiden kasteel bouwde. In 1248 liet graaf Willem II, tevens Rooms koning geworden, een meer passend kasteel bouwen aan een duinmeer, de huidige Hofvijver. Zijn zoon Floris V zorgde er na Willems vroegtijdige dood voor dat de Ridderzaal voltooid werd.

Het Binnenhof, eind 16e eeuw.

Binnenhof, Hollandse School, ca. 1655.

De Ridderzaal en het Binnenhof werden versterkt, maar het dorp eromheen kreeg nooit stadsrechten, al bleef Den Haag residentie van de graven van Holland en hun opvolgers. Den Haag kon groeien als compromis tussen de Hollandse steden, maar diezelfde steden zorgden ervoor dat Den Haag geen vestingstad werd.

In 1528 werd Den Haag overvallen door de Gelderse veldheer Maarten van Rossum die de nederzetting buiten het grafelijk kasteel brandschatte, waardoor de brandstichting werd afgekocht. Ook tijdens de beginjaren van de Tachtigjarige Oorlog werd Den Haag genadeloos geplunderd en raakte het nagenoeg ontvolkt. De stad was het Spaansehoofdkwartier tijdens het Beleg van Leiden.

Al zeker sinds circa het begin van de 15e eeuw telde Den Haag enkele duizenden inwoners, waardoor het in feite eerder een stad dan een dorp was. Een stad placht in die tijd echter een zeer verregaande mate van zelfbestuur te hebben en de graven van Holland (en later hun opvolgers, de hertogen van Bourgondië en de Habsburgers) kozen ervoor om het in hun eigen residentie zelf voor het zeggen te hebben. Vanaf 1585 zette de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden deze praktijk voort, omdat Den Haag de plaats was waar het hoogste regeringsorgaan, de Staten-Generaal, resideerde. Ook was het stadhouderlijk hof daar gevestigd. Aanvankelijk had het er in de jaren 1580 nog om gespannen of het verwoeste Den Haag weer zou worden opgebouwd: de machtige stad Delft wilde in haar directe omgeving de opkomst van een gevaarlijke rivaal liever verhinderen, mede omdat deze stad wenste dat de Staten-Generaal zich blijvend in Delft zou vestigen. Er werd toch tot wederopbouw besloten, en de Staten-Generaal vestigden zich, na onder andere Middelburg, in 1585 definitief te Den Haag.

Paleis Noordeinde, door Giessen 1735.

Paleis Noordeinde is een koninklijk paleis in de Nederlandse stad Den Haag, gelegen aan het Noordeinde. Het is thans het werkpaleis van koning Willem-Alexander.
In een akte uit 1370 wordt vermoedelijk al geschreven over Noordeinde. Daarna is er weinig bekend totdat in 1512 de grafelijk ambtenaar Willem Goudt eigenaar van de terreinen blijkt te zijn.

Na enige tijd kwam het in handen van de heren van Brandtwijk, waarna het ‘die huyse van Brandtwijck’ genoemd werd.

Vanaf 1580 werd het huis verhuurd, vanaf 1591 aan Louise de Coligny, de weduwe van Willem van Oranje die op verzoek van de Staten van Holland in Den Haag was komen wonen. Het huis werd toen het in 1595 te koop werd aangeboden, gekocht door de Staten van Holland. Louise de Coligny kon er blijven wonen en deelde het met haar zoon Frederik Hendrik graaf van Nassau, de latere prins van Oranje. In 1609 werd het door de Staten-Generaal aan beiden geschonken. Het heette indertijd ‘Het Oude Hof’.

Frederik Hendrik kreeg het na de dood van zijn moeder alleen in handen en liet het in 1640 verbouwen naar een ontwerp van de architecten Jacob van Campen en Pieter Post. Na zijn overlijden in 1647 kwam het in bezit van zijn zoon prins Willem II van Oranje. Zijn vader had enkele dagen voor zijn dood laten vastleggen dat Amalia van Solms, zijn echtgenote, er na zijn overlijden tot aan haar eigen dood zou mogen wonen. De kosten voor reparaties kwamen – zo had Frederik Hendrik vastgelegd – voor rekening van Willem II. Na diens dood in 1650, kwam het paleis in bezit van zijn enig kind, de latere stadhouder-koning Willem III, die acht dagen na zijn overlijden geboren werd.

In 1622 telde Den Haag 16.000 inwoners. In de 17e eeuw werd Den Haag omgeven door grachten, die door stadhouder prins Maurits als aanzet tot volledige vestingwerken waren aangelegd, maar van de geplande echte verdedigingswerken kwam verder niets. Aan het eind van de 18e eeuw was het bevolkingsaantal opgeklommen tot ongeveer 40.000, waarmee dit “dorp” de op twee na grootste nederzetting van Nederland was geworden (na Amsterdam en Rotterdam). Door de aanwezigheid van het stadhouderlijk Hof, de Staten-Generaal en buitenlandse diplomaten en (buitenlandse) adel had Den Haag een veel aristocratischer karakter dan de meeste andere Nederlandse steden. Er was een groot contrast tussen de aristocratische wijk rondom het Binnenhof en Voorhout en de meer volkse delen van het “dorp”.

Pas in 1806, onder Frans bewind, kreeg Den Haag zijn stadsrechten, maar in die tijd was een vestingmuur eerder een keurslijf dan een voordeel: Den Haag bleef zonder omwalling en kon zich op ruime schaal uitbreiden. Onder het Koninkrijk der Nederlanden, ontstaan in de jaren 1813-1815, bleef Den Haag de vestigingsplaats van regering en parlement (de moderne Staten-Generaal). Na 1850 begon de stad zich uit te breiden buiten de 17e-eeuwse grachtengordel. Het inwonertal was toen ruim 70.000.

Omstreeks 1870 zou het aantal van 100.000 worden gehaald, en rond 1900, in de fin de siècle-tijd van Louis Couperus, telde de stad ongeveer 200.000 inwoners. Ten zuiden van de oude binnenstad ontstonden toen dichtbevolkte arbeiderswijken zoals het Laakkwartier en de Schilderswijk, terwijl tegen de duinkant nieuwe wijken voor de meer gefortuneerde burgers gebouwd werden, zoals het Statenkwartier, Duinoord en de Archipelbuurt. In die tijd speelde Den Haag ook in kunstzinnig opzicht een belangrijke rol vanwege de schilders van de Haagse School. In 1873 werd op het Lange Voorhoutwaarschijnlijk het eerste Haagse riool aangelegd, de putdeksel werd gemaakt door ijzergieterij de Prins van Oranje.

Vredespaleis

In 1899 vond in Den Haag de Eerste Haagse Vredesconferentie plaats, die leidde tot de oprichting van het Permanent Hof van Arbitrage, dat in Den Haag gevestigd werd. Tussen 1907 en 1913 werd het Vredespaleis gebouwd, waarin dit Hof zou zetelen. Tevens werd later het Internationaal Gerechtshof in het Vredespaleis gevestigd.

Tegen het eind van de Tweede Wereldoorlog, op 3 maart 1945, kwamen tijdens het bombardement op Bezuidenhout 510 mensen om het leven. Het bombardement werd uitgevoerd door de Geallieerden en had als doel de vernietiging van de mobiele V2-lanceerinrichtingen van de Duitsers.

Op 29 oktober 1983 demonstreerden ruim 550.000 mensen vreedzaam tegen de plaatsing van kruisraketten in Nederland en tegen de kernbewapening in het algemeen. Het is het grootste straatprotest ooit dat in Nederland gehouden werd.

In de 20e eeuw heeft Den Haag gebieden geannexeerd wegens ruimtegebrek. In 1907 betrof het de Wassenaarse landgoederen Reigersbergen en Marlot. De voormalige gemeente Loosduinen werd in 1923 in zijn geheel samengevoegd met Den Haag. Dit beleid werd later voortgezet. In 1994 ging het grondgebied Wateringse Veld van de toenmalige gemeente Wateringen naar Den Haag. Met ingang van 1 januari 2002 werden de nieuwbouwwijken Leidschenveen en Ypenburg als gevolg van grenscorrecties toegewezen aan Den Haag, dit ten koste van de (toenmalige) gemeenten Leidschendam, Nootdorp, Rijswijk, Voorburg en Pijnacker. Den Haag heeft overigens ook grondgebied verloren, toen bij de gemeentelijke indeling in 1812 de heerlijkheid Nieuwveen werd toegevoegd aan de gemeente Nootdorp. Verder zijn er in de loop der eeuwen aanzienlijke stukken kustgebied in de zee verdwenen, waaronder een deel van de vissersplaats Scheveningen.

De naam van de stad is verbonden aan nationale en internationale rechtscolleges, zoals de Hoge Raad, het Internationaal Gerechtshof van de VN, de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens en het Internationaal Strafhof. Verschillende academische instituten op het gebied van internationale relaties, internationaal recht en internationale ontwikkeling zijn verenigd in de Hague Academic Coalition.Den Haag is net als New York, Genève, Wenen en Nairobi een belangrijke VN-stad. Als erkenning van de rol die Den Haag al ruim 100 jaar speelt op het gebied van internationaal recht en vredespolitiek is het de gemeente per koninklijk besluit toegestaan om vanaf 27 september 2012 het motto “vrede en recht” toe te voegen aan het gemeentewapen. Het is voor het eerst sinds 2008 dat een motto wordt toegestaan.

Het wapen van Den Haag is van goud met daarop een ooievaar in natuurlijke kleuren, in ruste (met een been geheven), die een paling van sabel (zwart) in de bek heeft. Bij de grote wapencompositie treden twee afgewende leeuwen van goud als schildhouders op. Het schild is gedekt met een antieke gravenkroon.

De vogel in het Haagse wapen is een ooievaar, en werd mogelijk gekozen omdat ooievaars vroeger verondersteld werden geluk te brengen. Op gravures uit de zestiende eeuw is te zien dat onder meer op de Ridderzaal en de Gevangenpoort voorzieningen waren aangebracht voor ooievaarsnesten. Uit nog oudere tijden zijn grafelijke rekeningen bewaard van onderhoud aan zulke voorzieningen. Een ander motief om de ooievaar in het wapen van Den Haag op te nemen is terug te voeren naar het veelvuldig gebruik van ooievaars op de vismarkten in het centrum van de stad, naast de Groenmarkt. De ooievaars werden gekortwiekt en hielden de vismarkten schoon.
Vóór 1813 is voor zover bekend nooit beschreven hoe het Haagse wapen precies moest worden afgebeeld. Daardoor ontstonden varianten die de invloed toonden van hun tijdsgeest en hun vormgevers. Het belangrijkste object op het wapen, de Ooievaar werd vrij consequent weergegeven als naar (heraldisch) rechts kijkend; voor de aanschouwer van het wapen is dit naar links. Soms echter staat de ooievaar gedeeltelijk en profil op het wapen. De eerste eeuwen staat de ooievaar daarbij met de beide poten op de grond. De grond wordt vormgegeven als een grasveldje, waarop soms ook enkele bloemen groeien. In de loop van de zeventiende en achttiende eeuw begint men de ooievaar af te beelden met één van zijn poten opgetrokken. In het begin staat deze poot in een hoek van ongeveer 225 graden, later steeds verder geheven tot 300 graden. De paling of aal in de bek van de ooievaar is soms zeer groot. Op de Jhesus-luidklok uit 1541 heeft deze een lengte die gelijk is aan de hoogte van de ooievaar. In de loop der eeuwen neemt deze omvang geleidelijk af. De antieke gravenkroon die het wapen dekt vindt zijn oorsprong in de zeventiende eeuw. Mogelijk kan in de toevoeging daarvan de vergeefse ambitie van het Haagse bestuur worden herkend die de officiële status van stad wensten. Op de oudste afbeeldingen van het Haagse wapen zijn ook de twee leeuwen die als schildhouders dienen, nog niet aanwezig. Pas in de loop van de achttiende eeuw worden deze eraan toegevoegd om het wapen verder te verfraaien. Uit dezelfde tijd dateert tevens de toevoeging van de grond van takken waarop het wapen rust. Soms is er in plaats van de takken een voetstuk. De meest recente wijziging is de vervanging van de grond door een wapenspreuk of motto.

Eerste klasse wapen uit de Franse tijd (1813)

De eerste officiële beschrijving dateert van 19 juni 1813, toen keizer Napoleon een wapenbrief aan de stad verleende. Napoleon had aan het oude wapen het schildhoofd voorzien van drie gouden bijen op een purperen veld. Deze decoratie toonde aan dat de stad tot de eerste klasse van de bonne villes de l’empirebehoorde. Dit was de Franse aanduiding voor de goede steden van het Rijk.

Het wapendiploma werd verleend door keizer Napoleon en is geschreven in het Frans. De vertaling daarvan luidt:
“Van goud beladen met een ooievaar van natuurlijke kleur met in zijn bek een slang van sabel. Als schildhoofd (het teken van) de bonne villes de l’empire (de goede steden van het rijk), welk is van rood beladen met op een rij drie bijen van goud. Voor de schildbedekking de kleuren uit het schild. De voorgeschreven externe ornamenten van het wapen bestaan uit een muurkroon met zeven nissen bekroond door een ontluikende adelaar, allen van goud, ondersteund door een liggende caduceus, boven het hoofd (van het schild) geplaatst, met aan elk einde een bloemdecoratie gehangen als dekkleden, aan de rechter zijde van eikenbladeren en aan de linker zijde van olijfbladeren van goud met elkaar verbonden door rode banden”

Wapen Den Haag 1816 – 1991

Na het einde van de Franse tijd kreeg de stad een nieuw wapen dat sterk leek op het wapen dat gebruikt werd voor de invoering van het Napoleontische wapen. Het nieuwe wapen heeft een aanpassing ten opzichte van het oude wapen: het grasveld is veranderd in twee takken van gras waarvan er een naar links en een naar rechts buigt. Dit wapen werd op 24 juli 1816 bij Koninklijk Besluit verleend. In 1991 werd het wapen gemoderniseerd waardoor de leeuwen en het terras van gras gestileerd werden. Ook werd het wapen van een wapenspreuk voorzien.

De officiële blazoenering van dit wapen luidt
“Van goud beladen met een oijevaar in deszelfs natuurlijke kleur, houdende in deszelfs bek een paling. Het schild gedekt met eene kroon van goud waarop 13 paarlen en vastgehouden door 2 leeuwen van goud”

Omdat de beschrijving niet geheel overeenkwam met de tekening van het wapen, werd op 19 oktober 1954 een nieuwe beschrijving verleend, welk luidt:
“In goud een stappende ooievaar van natuurlijke kleur in deszelfs bek een paling van sabel. Het schild gedekt met een antieke gravenkroon en gehouden door 2 omziende leeuwen van goud”

 

Bron: Wikipedia – ‘s-Gravenhage

Voorouders:

  • Pieter IV van Roden
    Geboren circa 1460. Zoon van Pieter III van Roden en Margriet Gerritsdr Storms van Weena.
    Ambachtsheer van Rhoon (1502-1534) en Pendrecht (1520-1534), eigenaar van een huis aan het Westeinde te ‘s-Gravenhage, overleden op 19 februari 1534, begraven te  Rhoon. Hij trouwde op 7 juni 1501 met Anna van Grave. Dochter van Raes van Grave, heer van Hevere, en Elisabeth van Sinte Guericx.
  • Helena Gerritsdr. van Rhoon
    Geboren ‘s-Gravenhage circa 1544, dochter van Gerrit van Rhoon uit een buitenechtelijke relatie met Katrijna Clements.
    Biersteekster op het veer van Rhoon, werd bij testament gelegateerd van haar natuurlijk vader jonkheer van Rhoon voor het vruchtgebruik van 150 carolus guldens 3 oktober1600, overleden aldaar voor 19 oktober 1623, trouwt voor 1567 met 
    Philip Cornelisz. Vermaet.
  • Neeltje Cornelisse Rietveld.
    Geboren op ‎12 augustus 1664 te ’s Gravenhage. Dochter van Cornelis Tielemans Rietveld en Maria Wouters van Overvoorden. Gehuwd ‎op 1 juni 1687 Rijswijk met Jan van den Akker‏‎. Geboren circa 1660 Rijswijk.

Terug naar:

Dorpen en Steden

  facebook          

johnooms-nl

© 25 februari 2018