Ambacht Berkel en Rodenrijs

Wapen Heren van Rodenrijs

De graven van Holland verleenden heerlijkheden aan edelen om ervoor te zorgen dat zij zich als trouwe dienaren zouden blijven gedragen. Binnen een bepaald gebied konden heerlijke rechten worden uitgeoefend. Het gebied zelf werd ook vaak ‘heerlijkheid’ genoemd. De eersten die met de heerlijke rechten binnen het ambacht Rodenrijs begunstigd werden waren vermoedelijk de ridders van Rodenrijs.

Op hun beurt beleenden zij andere edelen met gedeelten van dit ambacht.  Rond 1384 was Dirk Janszn van Hodenpijl, ambachtsheer van Rodenrijs

Voor Berkel geldt het jaar 963 als start, terwijl in Rodenrijs in 922 al een kapel lijkt te zijn gebouwd.
Alewijn II van Leyden van Wassenaer, geboren in 1080, overleden in 1121. Hij was Burggraaf van Leiden en was o.a  baanderheer van Berkel

In 1280 wordt gesproken over het gebied Rodenrijs, dat zicht uitstrekt van de landscheiding in het oosten tot de Striklede in het westen. Aangezien de Striklede in het Noordeinde ligt, betekent dit dat Rodenrijs het hele gebied van Berkel en Rodenrijs betreft.

Het bestuur en de rechten van de ontginning was verdeeld over twee ambachten met elk één ambachtsheer.
In een oorkonde uit 1303 van graaf Jan van Henegouwen spreekt hij over de rechten van de inwoners van het ambacht (rechtsgebied) Rodenrijs terwijl in een akte uit 1330 het ambacht Berkel door diens ambachtsheer wordt genoemd.
De ontginning Rodenrijs bestond dus uit het ambacht Berkel en het ambacht Rodenrijs.
Op het hoogste en dus het droogste punt van de ontginning bouwde men een nederzetting en blijkbaar lag dit punt in het ambacht Berkel. De naam zou een samenvoeging zijn van berk en loo, een open plek in een berkenbos.
De beide ambachtsheren van Berkel en Rodenrijs besloten samen te werken en daarom stichtten Arnestus van Wulven en ridder Allinus van Rodenrijs in 1266 samen een kerk in de toen al bestaande nederzetting. De nederzetting groeide en werd hierdoor belangrijker dan de ontginning zelf.
 –

Ridderhofstad Rodenrijs

De middeleeuwse hofstad Rodenrijs wordt voor het eerst in 1302 vermeld en dateert waarschijnlijk uit het laatste kwart van de 13de eeuw. Het was oorspronkelijk in het bezit van het adellijke geslacht Rodenrijs.

In 1466 wordt de eerder genoemde akte uit 1303 herbevestigd door Philips hertog van Bourgondie. Daarin spreekt de schout van Berkel over de inwoners “die van Roderijs daar onder dat Berckel gelegen is.”
Dit moet gelezen worden als: de inwoners van het grondgebied Rodenrijs waarin het dorp Berkel is gelegen. Met andere woorden: Het dorp Berkel ligt in het ambacht Berkel binnen de ontginning Rodenrijs!
Het is niet bekend wanneer de ambachten Berkel en Rodenrijs zijn samengevoegd tot één ambacht (grondgebied) en een ambachtsheerlijkheid (gebied met rechten), maar in spreektaal sprak men al snel van het ambacht Berkel en Rodenrijs.

In 1394 komt de uitoefening van de heerlijke rechten binnen het ambacht Berkel en Rodenrijs in handen van het geslacht van Egmond.

Johan van Oldebarnevelt

In 1600 wordt de heerlijkheid Berkel en Rodenrijs verkocht aan Johan van Oldebarnevelt. Sinds 1592 was Oldebarnevelt  heer van de heerlijkheid De Tempel uit naam van zijn minderjarige zoon Reinier. Johan van Oldebarnevelt was raadpensionaris van de Staten-Generaal tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Hij werkte lange tijd samen met Maurits van Oranje (de zoon van Willem van Oranje), maar werd het slachtoffer van een door Maurits beheerst politiek proces en daaropvolgende executie.

Johan van Oldebarneveld bleef tot zijn dood in 1619 heer van Berkel en Rodenrijs. Francoise, een dochter van Reinier van Oldebarneveld, werd in 1640 vrouwe van de heerlijkheid. Door haar huwelijk met Adriaan van Naaltwijck werd de laatst genoemde ambachtsheer.

De predikant Simon Jodocus Kruger wordt in 1687 eigenaar van de heerlijke rechten. In 1706 wordt Johan van der Hoeven, raad in de vroedschap en burgemeester van Rotterdam, beleend met de heerlijke rechten. Ruim 40 jaar is van der Hoeven ambachtsheer geweest. Tijdens zijn bewind heeft hij zich enorm ingespannen om de financiën weer goed op orde te krijgen. Ook heeft hij “een lawine van bepalingen en instructies over de heerlijkheid uitgestort” om weer greep te krijgen op de naleving en uitoefening van de heerlijke rechten. Als van der Hoeven in 1744 sterft wordt hij opgevolgd door zijn dochter Barbara Johanna. Door haar huwelijk met Hendrik van Hees, president van de Hoge Raad van Holland, komt de heerlijkheid in handen van het geslacht van Hees. Voor de familie van Hees was de heerlijkheid louter een bron van inkomsten geworden. In 1854 wordt de heerlijkheid inclusief de rechten verkocht aan de familie van der Burg. Ook het zogenaamde collatierecht, het recht van goedkeuring van het beroep van een nieuwe predikant, kwam in handen van deze rooms-katholieke familie. Dit recht werd in 1855 verkocht aan de Hervormde Gemeente.

De ambachtsheer van Berkel en Rodenrijs was eigenaar van verschillende heerlijke rechten. Deze rechten verschaften hem/haar inkomsten. Vaak bleek het maar al te lastig om het geld, waar de ambachtsheer recht op had, ook daadwerkelijk te innen. Simon Jodocus Kruger, ambachtsheer van 1687 tot 1706, slaagde er, vooral door tegenwerking van de schout, niet in om de inkomsten waar hij recht op had te innen. Toen hij in 1706 de heerlijkheid aan Johan van der Hoeven verkocht trof deze de heerlijkheid aan in een “desolate en verwarde staat”.

Een van de voornaamste bronnen van inkomsten was het tiendrecht. De ambachtsheer had recht op een tiende gedeelte van de opbrengst van landerijen waar het tiendrecht op gevestigd was. Men onderscheidde de grote tiend die over koren en turf werd geheven, de smalle tiend, geheven over o.a. koolzaad, vlas, hennep en aardappelen. Tenslotte kende men nog de krijtende tiend over jong vee als lammeren, biggen, veulens en ganzen. Naast het tiendrecht verkreeg de heer ook inkomsten uit het recht van de wind, het “monnikengeld” en de landgifte. Het monnikengeld was een schenking door Arent van Egmond van 100 engelse nobels aan het klooster Sint Bernardus te IJsselstein. Dit bedrag moest worden opgebracht uit goederen gelegen binnen het ambacht Berkel en Rodenrijs. Alles wat zij meer opbrachten dan de 100 nobels was voor de ambachtsheer.

De ambachtsheer beschikte ook over het recht van approbatie. Bij de aanstelling van een nieuwe functionaris moest hij zijn instemming betuigen met de voorgestelde kandidaat. Hij benoemde ook de kerkmeesters. Dit waren twee leden van de kerkenraad die speciaal belast waren met het financieel bestuur van de kerk. Eens per jaar moesten zij hierover rekening en verantwoording afleggen aan de ambachtsheer.

In 1854 kwam de familie van der Burg door aankoop van de heerlijke rechten in het bezit van het bijbehorende archief. Decennia lang is dit archief bewaard en beheerd door deze familie. Het beheer werd overgedragen aan de gemeente Berkel en Rodenrijs en in 2002 geregeld in een overeenkomst tussen de gemeente Berkel en Rodenrijs en de familie van der Burg (het “Zedelijk Lichaam”).

Het bewaard gebleven archief omvat 2,6 strekkende meter en bestaat voor een aanzienlijk deel uit afschriften van documenten. Met name tijdens het bewind van Johan van der Hoeven en Hendrik van Hees zijn veel afschriften van oude documenten gemaakt. Deze afschriften dienden vaak als bewijsmateriaal om aan te tonen dat de ambachtsheren- en vrouwen aanspraak konden maken op bepaalde rechten.

Bronnen:

Zie ook:

Heren van Rodenrijs

Terug naar:

Heerlijkheden

  facebook        

© 3 maart 2018