De Friese Koning Radboud

 

Radboud

Koning Radboud

Radboud of eigenlijk Radbod (Fries: Redbad) (overleden 719)
Hij was een koning der Friezen. Overleden in 719. Hij wordt in kronieken en heiligenlevens genoemd als koning of hertog van Friesland en staat bekend als een heidense vorst die het christendom vijandig gezind was.

Over Radboud zijn jeugd en jonge jaren is niets bekend. Hoewel in latere kronieken wordt aangegeven dat hij een zoon van Aldgisl was. Hij groeide ongetwijfeld op in een familie die tot de Friese elite behoorde en kwam niet eerder aan de macht dan circa 680, na de dood van Aldgisl.

Radboud wordt gezien als een machtige heerser, maar het begin van zijn bewind verliep teleurstellend. Hij raakte herhaaldelijk in conflict met het Frankische Rijk en moest genoegen nemen met een ondergeschikte rol ten opzichte van zijn machtige buur. Tussen 688 en 695 leed hij een aantal nederlagen tegen de Frankische hofmeier Pepijn van Herstal, onder andere in de slag bij Dorestad. Halverwege de negentiger jaren sloten Radboud en Pepijn vrede, waarbij Radboud afstand deed van Fresia citerior, het grondgebied ten zuiden van de Oude Rijn. Onderdeel van deze vrede was het sluiten van een huwelijk tussen Radbouds dochter Theudesinda met Grimoald, een zoon van Pepijn van Herstal, die in 714 werd vermoord. Van dit huwelijk is niet bekend of er kinderen uit zijn geboren.

Er bestaan aanwijzingen dat koning Radboud zich na zijn verdrijving uit Fresia citerior

ophield in Kennemerland en in het benoorden de Oude Rijn gelegen deel van het Sticht Utrecht. Hij verbleef daar op een burcht Velsereburg geheten, gelegen aan de Felisena, waar Velsen naar genoemd was. Van daaruit beheerste hij zijn grondgebied, nadat hij afstand had moeten doen van de plaatsen Dorestad en Utrecht.

Radboud beschikte over grote kwaliteiten maar maakte misbruik van de oorlogsdreiging waarin zijn land verkeerde. Zo beschuldigde hij sommige onderdanen van landverraad teneinde hun bezittingen verbeurd te verklaren en in beslag te nemen. In 708 gaf hij opdracht om Wurssing, een belangrijke rechter, gevangen te zetten. Wurssing, de grootvader van Liudger, die tot de Friese elite behoorde wist op tijd weg te vluchten.

Friesland onder Koning Radboud

Friesland onder Koning Radboud

De burgeroorlog die na Pepijns dood (16 december 714) uitbrak, bood Radboud nieuwe kansen. Ragamfred, de Neustrische hofmeier van koning Chilperik II zocht toenadering tot Radboud om de erfgenamen van Pepijn te kunnen weerstaan. Zij sloten een bondgenootschap, waarbij afgesproken werd dat Radboud vanuit het noorden Austrasië aan zou vallen en Ragamfred vanuit het zuiden. De Friese koning maakte zich eerst meester van Utrecht en Dorestad en voer in 716 met een vloot de Rijn op, waar hij ter hoogte van Keulen zijn leger ontscheepte. In de slag bij Keulen overwon hij de Frankische hofmeier Karel Martel en voorzien van een enorme buit keerde hij daarna weer terug. Winfried (Bonifatius) trof volgens zijn hagiograaf Willibald tijdens zijn reis van Londen naar Dorestad onder meer door de twist verwoeste kerken aan en bezocht Radboud in Utrecht.

Volgens een legende wilde Radboud zich aanvankelijk door de  missionaris Willibrord laten dopen, maar zag Radboud daar op het laatste moment vanaf. Net voor de onderdompeling in het doopvont vroeg Radboud aan Willibrord of het grootste deel van de Friese adel (Radbouds voorouders) in de hemel zou zijn. Willibrord antwoordde dat dat niet het geval was, zij waren immers niet gedoopt en zouden dus in de hel verblijven. Radboud bedacht zich en liet weten dat hij dan een hiernamaals met zijn voorgangers verkoos en trok zich terug

Radboud maakte plannen om andermaal het Frankenrijk binnen te vallen en trok daartoe een groot leger samen. Hij kreeg evenwel daartoe niet meer de gelegenheid. Door een ernstige ziekte getroffen stierf Radboud in de nazomer of vroege herfst van 719. De latere bisschop van Münster Altfried vermeldt in zijn Vita Liudgeri, dat nadat Radboud van het aardse toneel verdwenen was, Karel Martel Frisia gewapenderhand aan het Frankische rijk toevoegde.

De naam van Radbouds echtgenote is niet overgeleverd, en het is onbekend hoeveel kinderen hij had. Hij had in ieder geval twee dochters:
– Theudesinda die met een zoon van hofmeier Pepijn van Herstal trouwde.
– Sindacilla Odrade van Friesland (geboren 756 – overleden 800) (Zie Koningen de Friezen nr. 5). Zij was gehuwd met Wigebart, Hertog van Saksen.
– En er was ook sprake van een zoontje dat stierf als klein kind.

Uit de primaire bronnen is niet bekend wie Radboud opvolgde. Door latere historici wordt de Friese legeraanvoerder Poppo soms wel als diens opvolger beschouwd. De Frankische tegenstander van Radboud, Karel Martel, kon kort na zijn dood eenvoudig het Friese rijk binnenvallen en een deel van de Friezen onderwerpen.

Bron: Wikipedia

 

Terug naar:

Bijzondere personen